CheckStat
wonderen

WONDEREN IN ONZE TIJD?

Wat is een wonder?

Een wonder is "een opmerkelijke en voor de godsdienst relevante ingreep van God in het systeem van de natuurlijke oorzaken". Het begrip wonder veronderstelt een orde in de natuur. Een wonder is geen contradictie. Een mens die door een muur loopt is een wonder. Een mens die op hetzelfde moment door een muur loopt en tegelijkertijd níet loopt, is een contradictie. God kan wonderen verrichten maar geen contradicties - want contradicties zijn zinloos.

Een filosofische en een historische vraag

We moeten een onderscheid maken tussen de filosofische vraag: Zijn wonderen überhaupt mogelijk? en de historische vraag: Zijn er in het verleden wonderen geschied? Zijn er ooit opmerkelijke ingrepen geweest? Het antwoord op de tweede vraag vereist kennis van de historische feiten. Het is hierbij niet zozeer nodig om filosofisch onderzoek te doen maar vooral om historisch onderzoek te plegen. Wat de filosoof-apologeet kan doen is de mogelijkheid of onmogelijkheid van wonderen beargumenteren. De meeste mensen die wonderen ontkennen doen dat op grond van een filosofisch argument dat veronderstelt te bewijzen dat wonderen niet kunnen plaatsvinden.

Vanzelfsprekend kun je niet aan wonderen geloven zonder aan te nemen dat er een 'wonder-doener' bestaat. Iedereen die in wonderen gelooft, gelooft ook in een God. Maar niet iedereen die in God gelooft gelooft ook in wonderen. Maar als er een God is, dan zijn wonderen per definitie mogelijk. Het zou echter kunnen zijn dat God deze mogelijkheid niet benut.

Sommige mensen die in God geloven menen dat Hij nooit in de geschiedenis van de wereld een wonder heeft gedaan. Maar veel mensen geloven niet in God en dus ook niet in wonderen. Soms verdedigen ze zich met het argument dat ze door gebrek aan wonderen niet in God kúnnen geloven. Op zich is dat vreemd. Alsof iemand bij afwezigheid van voetsporen op het strand niet zou kunnen geloven dat daar ooit iemand gelopen heeft.

Blijft de vraag of wonderen filosofisch gezien mogelijk zijn en zo ja, of deze in het verleden ook hebben plaatsgevonden. Wat betreft het begrip God ('de wonder-doener' ) geldt dat als Hij werkelijk almachtig is, Hij in staat is om wonderen te doen. Er hoeft hierbij ook geen bezwaar te zijn van de zijde van de wereld of van de natuur. Als God de wereld heeft geschapen uit een Big Bang, zou Hij dan ook niet wat kleinere knallen of wonderen kunnen doen plaatsvinden? Een auteur die een plot schrijft kan deze ook veranderen.

De meeste mensen zeggen toch zonder veel aarzelen dat wonderen niet mogelijk zijn en dus ook nooit plaatsgevonden hebben. Meestal zijn zij echter geen historicus en hebben ze dus niet alle mogelijke gevallen onderzocht die eventueel in aanmerking zouden kunnen komen voor de kwalificatie wonderlijk. Maar diegenen die wel in wonderen geloven hebben waarschijnlijk eveneens nooit een wonder meegemaakt. De bezwaren tegen wonderen opereren dus vooral op het filosofisch vlak - zoals de gevoerde discussie bewijst. Allen die bezwaar hebben tegen het fenomeen “wonder” proberen te bewijzen dat wonderen onmogelijk zijn of zo hoogst onwaarschijnlijk dat ze vrijwel nooit zullen plaatsvinden. Als wonderen onmogelijk zijn dan hebben ze nooit plaatsgevonden met als consequentie onder andere dat het christendom vals is. De fundamentele geloofspunten van het christendom bestaan namelijk uit wonderen, zoals de menswording van Gods zoon, Zijn verrijzenis, de verlossing, de goddelijke inspiratie van de Schrift, et cetera.

Wonderen en de wetenschap

Van de mogelijke bezwaren tegen wonderen is er één die volgens mij in onze tijd de kroon spant: Als je wonderen aanvaardt zou dat gelijk staan met het prijsgeven van de 'moderne wetenschappelijke methode'. Dit hoeft volgens mij niet zo te zijn. Alle natuurwetenschappen opereren op grond van de vooronderstelling dat bepaalde dingen ons gegeven zijn: de wereld van de materie, natuurlijke oorzaken die binnen de gegeven wereld gelden en een orde of regulariteit waardoor empirisch onderzoek mogelijk is. Maar er blijven vragen zoals: "Hoe is de materiële wereld uit het niets ontstaan?", " Wat heeft de Big Bang veroorzaakt?" . Een wetenschapper die in Gods schepping gelooft hoeft de wetenschappelijke methode niet te verlaten maar hij erkent wel zijn grenzen.

Een voorbeeld kan dit misschien toelichten. Een arts is getuige geweest van een opvallend gebeuren: Eén van zijn terminale AIDS-patienten is plotseling genezen nadat hij een bad heeft genomen in de rivierwateren tijdens een pelgrimage naar het Mariale heiligdom te Lourdes. De arts weet niet welke oorzaak het ziekteproces heeft teruggedraaid. Hij gaat op onderzoek, neemt monsters van het water van de bron om te zien of er soms elementen in zitten die het AIDS-virus zouden hebben kunnen vernietigd. Na weken van vruchteloze arbeid geeft hij het op en erkent dat hij als wetenschapper geen plausibele empirische verklaring voor deze genezing kan geven. Zo’n arts zou kunnen zeggen: voor mij is dit een wonder. Maar dat betekent niet automatisch dat hij ophoudt wetenschapper te zijn. Hij gelooft dat de werkelijke uitleg hem heeft overtroffen.

Een wonder is dus geen schending van de wetten van de natuur net zoals een schooldirecteur geen schending van het schoolreglement pleegt als hij de gymnastiekles vervangt door een speciale vergadering met de leerlingen. Hoe kunnen wij weten of wonderen onmogelijk zijn of zo hoogst onwaarschijnlijk dat ze niet kunnen plaatshebben? Zou het vermogen om wonderen te doen niet passen bij de bevoegdheden van de schepper? En is het hele menselijk bestaan op zich eigenlijk niet al een wonder?

 

Dr. R.P.M. Ojeda

juli 2001

www.rojeda.dds.nl