Waarom zelfverloochening?

We vragen ons af tijdens de vastentijd welke offers we zullen brengen, omdat we beseffen dat het ons goed doet om te vasten.

Een beter begrip van het waarom van zelfverloochening zou ons het hele jaar door van dienst kunnen zijn en niet alleen tijdens de vastentijd. Meer dan het vasten als afstand doen van spijs en drank bedoel ik hier het “neen” weten te zeggen tegen de influisteringen van onze overbodige behoeften en grillen.

We leven nu eenmaal in een consumptiegerichte maatschappij, waarin het ons voortdurend aangepraat wordt ja te zeggen tegenover al onze verlangens om ons beter te voelen. In deze context rijst de vraag, waarom zou de christen zich iets ontzeggen wat niet slecht is? Wat is dan de echte reden om te vasten?

Om deze vragen te beantwoorden kunnen we eerst vaststellen dat vasten –het zich onthouden van spijs en drank – op zich neutraal is en noch goed noch slecht. Vasten is iets goeds in zoverre het ons helpt een goed doel te bereiken: meer aandacht voor God en voor de noden van een ander. Zijn waarde ligt in het bevorderen van een geestelijk klimaat als middel om groter deugd te bereiken.

Wat houdt vasten in? Het is meer dan een gelegenheidsgebeuren, zoals op Aswoensdag en Goede vrijdag. Om effectief te zijn eist vasten gedisciplineerde eetgewoonten gedurende het hele jaar. Er zijn inderdaad bepaalde dagen waarop het geboden is dat wij een grotere inspanning doen om ons van spijs en drank te onthouden, maar er zijn nooit dagen waarop het ons toegestaan is om alle teugels los te laten. Een mens moet steeds een zekere terughoudendheid beoefenen ten opzichte van zijn grillen of anders zouden die periodieke vastenoefeningen geen waarde hebben. Vasten is steeds onze verlangens in toom houden en op deze wijze goede gewoonten ontwikkelen die onze volharding in ons innerlijk leven bevorderen[1].

We zouden misschien beter moeten spreken van “vastendiscipline” of  verstervings- of offergeest” om de indruk te vermijden dat het om een incidenteel vasten gaat. Het operatieve principe achter de vastendiscipline is ons beperken tot datgene wat nodig is voor onze lichamelijke en geestelijke gezondheid, niet meer niet minder. Vasten is bedoeld om ons te beschermen tegen onnodige aangekweekte behoeften en niet om ons te onthouden van wat noodzakelijk is voor de gezondheid. Vasten vraagt de mens zijn verlangens te toetsen in wat overbodig is en dus wij mogen missen omdat het niet nodig is.

1. Kleine dingen goed doen

Enkele mensen merken op dat vasten niet het belangrijkste is voor een christen en dat ik dus me daar geen zorgen over hoef te maken. Inderdaad, er zijn belangrijkere dingen te vermijden dan voedsel en drank, zoals kwaadheid, roddels, kankeren, et cetera. Maar het zou verkeerd zijn te concluderen dat je daarom niet hoeft te vasten. Je moet niet denken dat je met verwaarlozing van vasten andere belangrijkere doelen kan bereiken. De vasten en het vermijden van het groter kwaad gaan hand in hand. Vasten leert een mens op de eerste plaats hoe hij zich moet onthouden.

Het is vooringenomenheid te denken dat je grotere deugden kunt beoefenen zonder aandacht te schenken aan de kleinere dingen[2]. Het zou een vorm van hoogmoed zijn te denken dat je iets niet hoeft te doen omdat het niet erg belangrijk is. Een dergelijk iemand denkt dat hij alleen bestemd is om grotere dingen te doen. Maar wij worden vaak beoordeeld met betrekking tot de alledaagse dingen. In de kleine dingen van elke dag kunnen we de zelfverloochening beleven op een wijze die weinig opvalt maar die zeer effectief kan zijn voor eigen heiliging en het heil van anderen.

2. Ons ware Welzijn beseffen

Vasten is geen aanslag op de gezondheid maar iets wat goed is voor het lichaam doordat het ons helpt om het eigen welzijn te beseffen. Het lichaam dient in overeenstemming te zijn met de geest en dit eist een zekere discipline zoals het vasten. Het lichaam is in deze zoals een kind aan wie de ouders “nee” moeten zeggen om die op te voeden. Als een mens nooit “nee” zegt tegen zijn lichamelijke grillen zal zijn lichaam nooit beseffen welke zijn ware welzijn is. Het lichaam heeft een dergelijke discipline nodig om deel te nemen aan de geestelijke gaven van Christus.

Wij christenen weten dat lichaam en ziel nauw verbonden zijn. Externe handelingen komen voort uit het innerlijke van de mens zoals Jezus zegt (Luc. 6, 45). De externe daad van vasten en ons onthouden van spijs en drank heeft een duidelijke invloed op het innerlijke van die persoon. Vasten geeft ons de vaardigheid om onze innerlijke verlangens onder controle te houden wat belangrijk is voor de groei van ons innerlijke leven. Het is ook waar dat een mens eveneens moet letten op zijn motieven, verlangens en intenties opdat zijn vasten niet ontaardt in hoogmoed, kwaadheid of ongeduld.

Slechts als we naar het innerlijke kijken zullen we de hoge waarde van het vasten kunnen begrijpen. Er is niets verkeerds in de daad van eten en drinken. We kunnen ervan genieten en God daarvoor danken. Deze blijdschap die we ervaren getuigt van Gods goedheid.

Tevens weten we dat God beter is dan welke geschapen dingen ook. En als we werkelijk God zoeken zullen we niet gehecht zijn aan het genot van eten en drinken en we zullen eroverheen stappen, bereid om die dingen op te geven om van hogere te genieten [3].

 

3.      Je zoekt wat beter is

Als eten en drinken goed is, waarom zou ik dan afstand moeten doen van een hamburger of chocolaatjes door vasten? En de reden is omdat het vasten dan beter zou zijn dan het eten en genieten van die goede dingen.

Een christen moet zoeken wat beter is en niet louter proberen te vermijden wat slecht is. Die is de enige manier om een leven van werkelijke bekering te beleven, waartoe we gecommitteerd zijn door ons doopsel. Als christenen moeten we kiezen met de vraag: “wat is voor mij de betere keus?”. Als we ons laten leiden door het “nou, er niets verkeerds met dit te doen” zullen we op geestelijk gebied niet vooruit kunnen gaan.

De voortdurende bekering die Jezus ons vraagt houdt dat we van goed naar beter gaan. Deze bekering is onbereikbaar voor degene die weigert kleinere goederen op te geven om grotere goederen te bereiken. Als gevolg van onze gevallen menselijke natuur neigt ieder van ons om genoegens te zoeken en kost het ons moeite onze gewoonten te veranderen. Vasten is in veel opzichten de keus om een kleiner goed op te geven ten bate van groter goederen. Je neemt afstand van spijs en drank om grotere vreugde van God te ontvangen. Vasten zoekt meer. Als iemand stopt naar meer te zoeken, dan stopt hij God te zoeken.

Je mag de vreugde van goed eten en lekker drinken wanneer die komen. Het is goed voor een kok, een moeder of een gastheer of -vrouw om lekker te koken om zijn gasten het beste aan te bieden. We zullen de matigheid zoeken in het op gepaste wijze genieten van die maaltijd of lekkernijen want als je weet dat God het grootste goed is,  zal je niet je zelfbeheersing verliezen bij het eten en drinken[4].

4. Obstakels wegnemen

Onze handelingen zijn vaak een mengsel van intenties. Eten is niet verkeerd maar ik zou kunnen eten omdat ik honger heb, of uit gemakzucht en verveling, om het pure genot, uit eigen liefde, et cetera. Daarom is het belangrijk eerlijk naar je hart te kijken om te zien wat er in ons leeft. Het hebben van gemengde intenties is eenvoudigweg een onderdeel van onze huidige onvolmaakte toestand in de wereld.

De zelfzuchtige neigingen in ons hart hinderen onze groeimogelijkheden om God en de naaste lief te hebben. Om toe te nemen in heiligheid hebben we Gods hulp nodig. Jezus zei:  “Zonder Mij kunt gij niets” (Joh. 15,5). Daarom zal de christen die oprecht gericht is op bekering deze obstakels van zijn hart willen verwijderen. God wil onze medewerking aan de genaden die Hij ons geeft. Dit is wat je doet met vasten. Je eigen verlangens controleren, afstand nemen van wat overbodig is, alleen maar nemen wat echt nodig is voor een gezonde voeding. Omdat hij niet langer het genot van spijs zoekt, de ik-gerichte neigingen die dat genot met zich meebrengen krijgen geen kans om in het eigen hart te ontspruiten. We geven iets op wat we lekker zouden vinden en op deze wijze neemt afstand van luiheid, zelfingenomenheid en genotzucht opdat deze op non actief worden gesteld in het eigen hart.

5. Zuivering van het hart

Vasten neemt de obstakels weg zodat wij ontvankelijker kunnen zijn voor Gods genade en daardoor groeien in heiligheid en deugden. Als we louter het genot zoeken zijn we niet bezig God te zoeken en is ons hart verdeeld.

De heilige Augustinus leert dat een verdeeld hart een onzuiver hart is[5]. We vasten dan om ons te zuiveren om vrij te worden van bepaalde lasten die gericht zijn op genot. Door me op verstandige wijze af te wenden van het genot van spijs en drank kan ik me vollediger richten op God zelf.

Door vasten richt een mens zich bewuster op God. Zoals bij de profeet Joël gezegd wordt: “Keert tot Mij terug, van ganser harte, met vasten, met geween en met rouwklacht”.[6]  En natuurlijk kost het moeite. God vraag ons om op Hem te vertrouwen in de zekerheid dat de beloften van de Schrift ons niet zullen teleurstellen.[7]

6. Hulp aan naaste en wereld

Vasten is niet alleen goed voor het individu maar is goed ook voor zijn omgeving. En dit niet alleen omdat we daardoor het gespaarde aan noodlijdenden kunnen geven maar ook omdat er een onzichtbare link is door het gebed waarmee we anderen van dienst kunnen zijn. Het gebed van een mens heeft des te meer waarde naarmate hij of zij meer verenigd is met de Heer.  “Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt”.[8] En doordat vasten de mens steunt in zijn voortdurende bekering en kracht geeft aan zijn gebed zal dat ten goede komen van zijn medemensen. De dienst aan de ander door te vasten is ook Christus navolgen. Hij heeft zichzelf vrijwillig voor anderen aan het kruis opgeofferd. Door vasten krijgen we de gelegenheid om ons met Christus op te offeren voor anderen. Christus zei dat niemand een groter liefde heeft dan hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden[9]. Deze liefde brengt ons ertoe om onze eigen voorkeuren op te offeren ten bate van anderen en dit is wat ieder mens is uitgenodigd te doen door de vasten: opgeven waar je plezier in hebt voor het goede van de anderen. Er is geen groter liefde dan deze.

Het is niet zozeer het afzien van spijs en drank wat ons dichter bij God brengt maar de liefde die in ons woont en hoe wij het weten te delen met de anderen. Laten we er ook aan denken dat bij de beschrijving van het laatste oordeel Jezus niet zei: ‘Ik had honger en gij hebt met mij gevast...’,  maar “ik had honger en gij hebt me te eten gegeven” (Mt. 25,35).

 



[1]  Romanus Cessario, O.P., “Why the christian must deny himself”, The Homiletic & Pastoral Review, Februari 2000.

[2]  Luc. 16, 10

[3]  Kol. 3, 1-2

[4]  H. Johannes van het Kruis, in ‘De bestijging van de berg Karmel’ en Dietrich von Hildebrand in ‘Transformation in Christ’.

[5] Augustinus, Preken over de Bergrede, 2.11.

[6] Joël 2, 12.

[7] Ps. 4,8; 22,5 en Rom. 5,5.

[8] Jac. 5,16 b.

[9] Joh. 15,13