CheckStat
Genade en bekering in de geschriften van de zalige Josemaría Escrivá DE KERK VAN JEZUS CHRISTUS

Genade en bekering in de geschriften van de zalige Josemaría Escrivá

Prof. dr. Scott Hahn

 

Onderstaande tekst is in het engels voorgedragen op het congres ‘The Grandeur of Ordinary Life’ gehouden te Rome van 8-12 januari 2002 onder auspiciën van de Pauselijke Universiteit van het Heilig Kruis, ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van de stichter van het Opus Dei. Prof. Scott Hahn (1957) heeft zich als presbyteriaans theoloog en dominee in 1986 bekeerd tot de Katholieke Kerk. Korte tijd later heeft zijn vrouw, Kimberly Hahn, dezelfde stap gezet. Thans is Scott Hahn hoogleraar aan de Franciscaanse Universiteit van Steubenville (Ohio) en vader van zes kinderen. Zijn meest recente boeken zijn ‘The Lamb’s Supper: The Mass as Heaven on Earth’ (Doubleday, 1999) ‘A Father Who Keeps His Promises’ (Servant, 1998) en ‘Rome Sweet Home: Our Journey to Catholicism’ (Ignatius, 1993), thans ook in Nederlandse vertaling beschikbaar (De Boog, 2001).

 

Voor mensen die het Opus Dei leren kennen is de klaarblijkelijke nieuwheid, het verschil met andere wegen in de Kerk opvallend. Indien verzocht om te beschrijven wat nu precies zo nieuw of anders is in het Opus Dei, zijn de meesten van hen echter niet in staat om dat ongrijpbare te benoemen.

Nochtans is het er —dat nieuwe, dat andere— en het verklaart zowel de effectiviteit van het apostolaat van het Opus Dei, alsook zijn problemen, met name het onbegrip van enkele vrome gelovigen binnen de Kerk.

Wat is het dat Opus Dei zo uitzonderlijk maakte, vooral in de eerste tientallen jaren na de stichting door de zalige Josemaría Escrivá, toen het hevige beschuldigingen van ketterij ontlokte? De meeste mensen wijzen op Zl. Josemaría’s nadruk op de heiliging van het dagelijks werk. Dit is echter niet zo nieuw. We vinden het terug in vele en verschillende geestelijke schrijvers, van St. Johannes Chrysostomus en St. Benedictus tot broeder Laurentius en St. Franciscus van Sales.

Wat is er dan wel zo nieuw? De zalige Josemaría zelf benadrukte dat het Opus Dei iets bood dat “zo oud als het evangelie, en als het evangelie zo nieuw” was; en daarin ligt onze aanwijzing voor Opus Dei’s verschil.

Volgens mij is de kern van het Opus Dei in strikte zin niet iets nieuws, maar een herontdekking, een ressourcement: een terugkeer naar de christelijke bronnen. Door een goddelijke genade heeft de zalige Josemaría een specifieke gedachte uit het hart van het Christendom herontdekt, een gedachte die door de controversen van voorgaande eeuwen is ondergesneeuwd. Een gedachte die genade en bekering, verlossing, rechtvaardiging, en heiliging omvat. 

Een vergeten leer

“Goddelijk kindschap”, zei Zl. Josemaría, “is de grondslag van de geest van het Opus Dei” (Als Christus nu langskomt, nr. 64). Hoewel deze leer bekend is voor wie hun vorming hebben ontvangen van het Opus Dei, mogen we dat niet als vanzelfsprekend beschouwen. Zl. Josemaría gebruikte de zin en het concept immers op een manier die schokkend was voor zijn tijd. Sinds de tijd van de Reformatie heeft de Kerk defensieve, apologetische agenda’s vastgesteld voor de theologen. Inderdaad, telkens wanneer ketterijen ontstaan, moet de Kerk specifieke aspecten van het dogma in het bijzonder belichten. Aldus voelden de katholieke schrijvers na de Reformatie zich verplicht precies die punten te benadrukken die de Protestanten ontkenden. Bijvoorbeeld, omdat de hervormers geloof boven de werken stelden, neigden katholieke theologen tot het benadrukken van werken boven geloof. Dit was allemaal noodzakelijk, bij wijze van medicijn. Maar het doorzeurende gevolg was een enigszins vervormde en ontwrichte theologie.

Zl. Josemaría’s herwinning van het goddelijk kindschap betekende een verwerking van christelijke ervaring, een herwinning van de patristische en Thomistische eenheid die op een of andere manier verloren was geraakt tussen al het gekrakeel.

Het oogmerk van de Contrareformatie is opvallenderwijs afwezig in Zl. Josemaría’s leer. In zijn homilieën en ascetische werken vinden we geen apologetische aanvallen op het Protestantisme, en weinig bemoeienis met de subtiliteiten der rechtvaardiging. Inderdaad, wie al zijn ascetische werken en al zijn homilieën afpluist op zoek naar de term rechtvaardiging (in zijn technische betekenis), zoekt tevergeefs. 

De polemiek voorbij

In plaats van post-reformatorische retoriek, wat treffen we er aan? We vinden een woordgebruik dat verrassend was voor die tijd en plaats. Sprekend over bevrijding, rechtvaardiging en heiliging, durft Zl. Josemaría woorden als ‘vergoddelijking’ te gebruiken.

“Is het niet waar”, lezen we in Als Christus nu langskomt, “dat je het belang ervan hebt ingezien om een ziel van gebed te worden, om een intimiteit met God te bereiken die leidt tot vergoddelijking? Op deze wijze hebben zielen van gebed altijd het christelijke geloof opgevat.” En hij vervolgt met Clemens van Alexandrië: “Een mens wordt God, omdat hij liefheeft wat God liefheeft” (nr 8).

Alhoewel de term “vergoddelijking” vaak voorkomt bij de kerkvaders van de oostelijke Kerk, is die nooit ingeburgerd in het westen. Zl. Josemaría heeft het begrip zeker in zijn studie van de kerkvaders leren kennen, voor wie hij vanaf zijn jaren in het seminarie altijd devotie heeft gehad.

Voor Zl. Josemaría is vergoddelijking het proces waardoor Christenen “zonen in de Zoon” worden — zonen van God door op te gaan in de eeuwige Zoon van God. Wij zijn kinderen omdat Christus zijn eigen goddelijke kindschap met ons heeft gedeeld. Ons kindschap is meer dan louter nadoen van Christus; het is meer dan een wettelijke overdracht van adel; het is meer dan “doen alsof” we kinderen zijn. Het is een metafysische deelneming in de eniggeborenheid van Christus.

Vergoddelijking is dus het proces van toenemend goddelijk kindschap. Het begint met het doopsel, maar het is geen eenmalige gebeurtenis. Zl. Josemaría zag het christelijk leven eerder als een voortdurende bekering tot Christus, een voortdurende zuivering door boete en gebed, een voortdurend “herbeginnen”, om een van zijn favoriete woorden te gebruiken. Inderdaad, deze bekering is een voortdurende terugkeer naar het leven van geestelijk kindschap. “Ik raad je aan om zo nu en dan terug te keren … tot het begin van je eerste bekering — als het niet een soort kind worden is, dan lijkt het er toch wel veel op: in het geestelijk leven moet je je laten leiden met volledig vertrouwen, zonder vrees noch huichelarij” (De Voor, nr. 145). 

Verlossing voor kindschap

Goddelijk kindschap is de vrucht van onze verlossing door Jezus Christus, en het is de normale conditie van de verlosten. In zijn beschouwing bij de veertiende statie van de Kruisweg schreef de Zl. Josemaría: “Het werk van onze verlossing is voltooid. We zijn nu kinderen van God, omdat Jezus voor ons is gestorven en zijn dood ons heeft vrijgekocht. Empti enim estis pretio magno! (1 Cor. 6:20), jij en ik zijn voor een grote prijs gekocht.” Ons kindschap is het doel van Christus’ verlossende dood.

Toch is het passend om te vragen: waarom heeft Christus ons verlost? In de eeuwen na de Reformatie neigden zowel katholieke als protestantse theologen te benadrukken dat we zijn verlost van de zonde. Ze verschilden van mening over de manier waarop dit gebeurde, en welke gevolgen dit had in ons leven. Maar ze kwamen overeen in hun gerichtheid op de zonde waarvan Christus ons verlost heeft.

In tegenstelling hiertoe leerde Zl. Josemaría dat we niet alleen van de zonde, maar voor het kindschap verlost zijn. Aldus kon hij over goddelijk kindschap preken als zijnde het doel van vergoddelijking, en vergoddelijking de reden van onze verlossing: “[D]oor de vergoddelijking van het gewone, alledaagse mensenleven werd de Zoon van God overwinnaar. Dit was de triomf van Jezus Christus. Zo heeft Hij ons verheven tot zijn niveau, dat van de kinderen van God, door af te dalen naar dat van ons: het niveau van de kinderen der mensen.” (Als Christus nu langskomt, nr. 21).

Bovendien heeft Christus niet alleen menselijke zielen verlost, maar alle menselijke realiteiten in de wereld. Zl. Josemaría leerde: “Ons geloof leert ons dat de mens, in staat van genade, vergoddelijkt is — gevuld met God. Wij zijn mannen en vrouwen, geen engelen. Wij zijn vlees en bloed, mensen met gevoelens en hartstochten, met verdriet en vreugde. En deze vergoddelijking behelst al het menselijke” (ibid, nr. 103). Bij een andere gelegenheid zei hij: “Het feit dat Jezus opgroeide en leefde net als wij, toont dat het menselijk bestaan en alle gewone werkzaamheden van de mensen een goddelijke betekenis hebben.” (ibid, nr 14). 

Mens en Heilige

Het goddelijk kindschap begint derhalve met een goddelijk initiatief, een genade. God wil echter dat de mens meewerkt. Wij moeten ervoor kiezen om te beantwoorden aan de genadegaven die God ons schenkt; en dit is het geleidelijk proces van onze vergoddelijking, onze dagelijkse bekering als kinderen van God.

Deze theologie van de genade heeft vergaande gevolgen voor het alledaagse menselijke leven. Niemand kan de stichter van het Opus Dei beschuldigen van een te “verticale” opvatting van de verlossing. Inderdaad, het noodzakelijke gevolg van zijn begrip van vergoddelijking is zijn leer van de vermenselijking die plaatsvindt in het bovennatuurlijk leven. Christus is het die ons ten slotte volledig vermenselijkt, die de mens onthult wie de mens is (vgl. Apost. Const. Gaudium et Spes nr 22, Vat. II). Christus is de volmaakte mens; en als we ons gelijkvormig maken aan zijn beeld, worden we niet alleen vergoddelijkt —als ik hier ‘niet alleen’ mag gebruiken— maar ook vervolmaakt in onze mensheid. We delen Christus’ vergoddelijkte mensheid.

Zl. Josemaría leerde dat “niets onze persoonlijkheid zozeer vervolmaakt als beantwoording aan de genade” (De Voor, nr. 443). Genade “vernieuwt de mens van binnen en bekeert de zondaar en rebel tot een goede en trouwe dienaar” (Als Christus nu langskomt, nr. 162). Meer dan een dienaar, ontvangt de mens door de genade de kracht om heilig te worden, deelgenoot van het goddelijk leven. “Met goddelijke genade”, schreef de stichter van het Opus Dei, “kun je heilig worden — dat is het belangrijke” (De Voor, nr. 104). De genade van God bekeert ons van zondaars tot heiligen. In een homilie beriep Zl. Josemaría zich op St. Augustinus’ autoriteit op dat gebied: “En zal ik durven zeggen dat ik heilig ben? Als ik met ‘heilig’ bedoel dat ik heiligheid breng en dat ik niemand nodig heb die mij heilig maakt, zou ik een leugenaar zijn en vol trots. Maar als ik onder ‘heilig’ iemand versta die heilig is gemaakt, zoals we in Leviticus lezen —Gij zult heilig zijn omdat Ik, God, Heilig ben— dan mag het hele lichaam van Christus durven zeggen, tot aan de laatste mens aan het uiteinde der aarde, samen met zijn hoofd en onder hem, ik ben heilig” (Enarrationes in Psalmos 85.4, geciteerd in Als Christus nu langskomt, nr. 133).

In dit goddelijke heilsbestel kan niemand beweren niet over de middelen te beschikken om heiligheid en kindschap te verkrijgen. “Onze Heer wil dat we allemaal heilig worden, en schenkt ieder van ons de daartoe nodige genade” (De Voor, nr. 314).

Zl. Josemaría zag in Onze Lieve Vrouw —die ‘vol van genade’ was vanaf het moment van haar ontvangenis, en die haar voortdurende beantwoording aan de genade toonde door haar fiat— het model van de door genade vervolmaakte mensheid. Zl. Josemaría merkte op: “Probeer de Maagd Maria na te volgen, en je zult een man —of vrouw— worden uit één stuk” (De Voor, nr 443).

Zulk een verheffing, leerde hij, vereist vernedering — en ‘vermenselijking’: “Om goddelijk te zijn, om ons te vergoddelijken, moeten we beginnen met zeer menselijk te zijn, door voor Gods aangezicht ons leven te leiden van gewone mensen, door deze schijnbare nietigheid te heiligen. Aldus leefde Maria. Zij die vol is van genade, gekoesterd door het goddelijk welbehagen, en die uitsteekt boven alle engelen en heiligen, zij leefde heel gewoontjes.” (Als Christus nu langskomt, nr. 172). 

Liefde in actie

Genade is Gods gave van zijn eigen leven. Het is onze deelneming in zijn goddelijk leven. En het is een voortdurende gave aan de ziel die niet in doodzonde leeft. Toch is het, opnieuw, aan de ziel om de genade te aanvaarden en ernaar te handelen. Deze aanvaarding is, volgens Zl. Josemaría, als de beantwoording van het kind aan de liefde van zijn Vader. In De Voor schreef hij: “Beantwoorden aan de goddelijke genade, vraag je, is dat een zaak van rechtvaardigheid? Van edelmoedigheid? — Van Liefde!” (nr 669).

Deze kinderlijke liefde vervult de ziel van ijver om te vorderen op de weg naar bekering en vergoddelijking — om een volmaakter, trouwer kind van de Vader te worden. Zulke ijver voorziet in de energie die nodig is voor een strijd die het hele leven lang duurt. “Genade werkt gewoonlijk net zoals de natuur: stapsgewijs. We kunnen niet, strikt gesproken, voor de genade uit lopen; maar onze bijdrage betreft de voorbereiding van het terrein, en meewerken als God ons de genade verleent. (...) Gewoonlijk neemt de genade de tijd; zij houdt niet van geweld.” (De Voor, nr 668). Daarom spoorde Zl. Josemaría de gewone Christenen aan tot een “heilig ongeduld, maar ook tot een heilig geduld” (vgl. De Voor, nr. 668).

Het recept voor vergoddelijking is dus goddelijke genade plus menselijke beantwoording. Om dit aan te tonen citeerde de stichter “Gods aansporing van de apostel: ‘Je hebt genoeg aan mijn genade’, wat bevestigt dat je het kunt, als je maar wil.” (De Voor, nr. 166).

Toch blijven we vrij, en kunnen we kiezen om niet te beantwoorden aan Gods genade, onze bekering, en tenslotte, onze vergoddelijking. Aangezien God ons voortdurend zijn genade schenkt, worden we voortdurend geconfronteerd met de keuze tussen beantwoorden en weigeren. Daarom vinden we in alle geschriften van Zl. Josemaría de urgentie van het tegenwoordige ogenblik. “Ik heb altijd gedacht dat velen met ‘morgen’, of ‘later’, een weigering van genade bedoelen.” Daarom spoorde Zl. Josemaría Christenen aan te leven in het tegenwoordige ogenblik, om te concentreren op de onmiddellijke plichten. Nunc, hodie! —“vandaag, nu”— was een van zijn favoriete schietgebeden. Een ander was Nunc coepi! — “Nu begin ik”. Voor hem bestond het geleidelijke proces van bekering, van vergoddelijking, in niets meer dan een serie van zulke tegenwoordige ogenblikken, en hij probeerde er geen enkele van te verspelen. “Hoeveel gelegenheden om van de Meester te leren heb je verspeeld, door ze niet tot de bovennatuurlijke orde te verheffen!” (De Voor, nr. 261). 

Sacramentele genaden

De ultieme manier om die momenten tot de bovennatuurlijke orde te verheffen is, volgens Zl. Josemaría, de genade van de heilige communie te benutten. De Mis, zei hij, moet “middelpunt en bron zijn van het innerlijk leven van een Christen” (Als Christus nu langskomt, nr 87). De Eucharistie “is het doel van alle sacramenten. Het leven van de genade dat het doopsel in ons plantte en dat, gesterkt door het vormsel, verder uitgroeit, wordt in de Mis tot zijn volheid gebracht”(ibid.). In deze context citeert hij St. Cyrillus van Jeruzalem (Catech. 22.3): “Als we deelnemen aan de Eucharistie ervaren we de vergoddelijkende vergeestelijking van de Heilige Geest, die ons niet alleen gelijkvormig maakt met Christus, zoals in het doopsel, maar die ons volledig tot Christus maakt, door ons op te nemen in de volheid van Christus Jezus”. Zl. Josemaría besluit: “De instorting van de Heilige Geest identificeert ons met Christus en brengt ons tot de erkenning van ons goddelijk kindschap.” (Als Christus nu langskomt, nr 87).

In de leer van Zl. Josemaría is het goddelijk kindschap de voornaamste uitdrukking van de goddelijke genade; het is de hermeneutische sleutel om de vergoddelijking en vermenselijking van de mens te begrijpen. In dit licht zien we dat bekering niet alleen berouw is, maar een liefhebbende beantwoording van ons kinderlijk vertrouwen in onze Vader God. Bekering vloeit dus voort uit genade. Het is het gevolg van de genade in ons verstand en onze wil. Genade is een goddelijke gave; bekering is ons antwoord. Deze werken, goddelijk en menselijk, herscheppen Christus’ zoonschap in de mens.

Het zou weinig moeite kosten om de patristische herkomst van deze ideeën aan te tonen, zoals de stichter zelf deed door Clemens, Cyrillus, en Augustinus te citeren in drie van de passages die ik noemde. Zl. Josemaría had evengoed St. Ireneüs kunnen citeren, die slechts één generatie na de apostelen schreef (Adversus Haereses 3.19.1): 

Hiertoe is het Woord van God mens geworden,

en is Hij die Gods Zoon was een mensenkind geworden,

opdat de mens, opgenomen in het Woord,

door adoptie de zoon van God mag worden.

 

Elders schreef Ireneüs (Adversus Haereses 4.38.3) dat door Gods genade 

de mens, een geschapen en georganiseerd wezen,

wordt gevormd naar het beeld en de gelijkenis van de ongeschapen God,

voortschrijdend, elke dag, en opstijgend naar volmaaktheid,

—de Ongeschapene benaderend—

want de Ongeschapene is volmaakt: God.

 

En sta me toe om nog een sympathieke kerkvader te noemen: St. Hyppolytus, die aan de voeten van Ireneüs zat. In het begin van de derde eeuw schreef hij (Philosophoumena 10.33), met woorden die gemakkelijk in De Voor of De Weg hadden kunnen staan:

 

Als ook jij God wil zijn

luister dan naar wie jou schiep

en weersta hem niet hier beneden

opdat je, trouw in de kleine dingen,

in staat mag zijn het grote te ontvangen.

 In zijn leer over genade en bekering heeft de stichter van het Opus Dei iets ouds hervonden; maar aldus deed hij tegelijkertijd iets nieuws. Hij anticipeerde op vele latere stromingen in de theologie en het kerkelijk leven — de beweging van het ressourcement, die het gedachtengoed van de oostelijke kerkvaders heeft hervonden— en op Paus Johannes Paulus’ pleit voor een Kerk die opnieuw ademt met haar beide longen: Oost en West. Zl. Josemaría was deze ontwikkelingen tientallen jaren voor, aangezien hij inzag hoe de gemeenschappelijke erfenis van de Kerk —Heilige Schrift en kerkvaders— betrokken moet worden op problemen van onze tijd, alsook op de tijdloze aspecten van het innerlijk leven.

 

Vertaling door Juleon Schins.