CheckStat
Homilie voor roepingenzondag 2003

Homilie voor roepingenzondag 2003


Broeders en zusters,

Als heden ergens het woord priester valt, volgt er steevast meteen een ander woord:‘weinig’. Er zijn inderdaad minder priesters en ze worden ouder. En de aanwas door priesterroepingen is gering. Op deze roepingenzondag nodigt de Heer ons uit om daarover na te denken en met dieper geloof te kijken naar het probleem van de priesterschaarste. Zeker, het roepingenprobleem is breder – er zijn ook nog de diakens, het religieuze leven en de lekenroepingen – maar vandaag willen we het over de priester hebben.

Waarom hebben we priesters nodig? Het antwoord gaat vaak allereerst de kant uit van ‘wat doet de priester?’. Wie zal anders instaan voor de verkondiging, voor de liturgie en de sacramenten? Wie zal anders in Christus’ naam de gemeenschappen leiden? Daarvoor zijn inderdaad priesters nodig.

Maar is dat de diepste reden? Priesters zijn meer dan wat ze doen. Is het zo dat, zoals er personeel nodig is voor de post, de spoorweg, het onderwijs en de ziekenzorg, er ook mensen nodig zijn voor de sector godsdienst? Nee, een priester is méér dan wat hij ‘doet’.

Het geloof ziet verder en dieper: in de priester komt de Christus onder ons aanwezig op een eigen manier; in hem spreekt, viert en handelt immers de Heer Jezus zelf. Niet omdat de priester beter zou zijn of heiliger dan de anderen, maar omdat hij onverdiend tot die dienst werd geroepen. Zoals Jezus tijdens zijn leven onder de grote groep van zijn volgelingen er twaalf uitkoos om Hem van dichtbij te volgen en aan zijn zending deel te nemen, zo doet Hij nu nog: binnen de grote gemeenschap van de gedoopten, kiest hij er enkelen aan wie hij zijn dienstwerk op een bijzondere manier toevertrouwt. Ze zijn niet méér dan de overigen, maar ze zijn wel anders. De Kerk kan dus niet zonder.

Maar wat dan doen om priesters te krijgen? Jezus zelf is het die het antwoord geeft: Hij bidt tot zijn Vader. ‘De oogst is wel groot, sprak Hij, en arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten’ (Mt 9,37). Als Jezus - Gods eigen Zoon – het al aan zijn Vader heeft moeten vragen, hoeveel te meer dan wij? Want priesters kunnen we niet maken, we moeten ze krijgen. En je krijgt niets, als je niets vraagt. Het gebed om nieuwe priesters is niet zomaar iets wat er best bijkomt: het is onmisbaar en eerst. Wellicht praten, overleggen en plannen we wel veel over het roepingenprobleem en bidden we te weinig. ‘Vraagt en ge zult verkrijgen, zoekt en ge zult, vinden, klopt en u zal worden opengedaan. Want al wie vraagt verkrijgt, wie zoekt die vindt en voor wie klopt doet men open’ (Mt 7,7). Kunnen we eerlijk zeggen dat wij in onze Kerk echt bidden om priesters? En weten we, dat als we het daarbij nog samen doen – publiek en in de parochie – dit gebed nog krachtiger is? ‘Want waar twee of drie in mijn Naam bijeen zijn, daar ben ik in hun midden’ (Mt 18,20). We moeten veel meer bidden om priesters en dat ook samen gaan doen.

Maar er is meer nodig. Priesters komen uit de gemeenschappen en in de eerste plaats uit een gezin. Ze zijn als de vruchten aan een boom. En er komt geen vrucht als er geen bloei is aan voorafgegaan. En wanneer ‘bloeit’ een gemeenschap? Wanneer bloeit een gezin?

Er komt eerst bloei als ergens de passie leeft voor de Christus. Waar Christus graag wordt gezien, daar is het lente en zitten de vruchten al te wachten in de knop: waar ouders en hun kinderen ‘iets hebben met Christus’, waar ze de zachte kwetsuur dragen in hun zijde die zegt: ‘Ik zie hem graag en ik kan er niets aan doen; het is sterker dan mezelf’. Waar zijn woorden graag worden beluisterd en vanzelf over de lippen komen, waar men graag met Hem spreekt, waar men een gevoelig hart heeft: daar komen roepingen. Waar men ook af en toe zelfs van familie en vrienden te horen krijgt: ‘zijn jullie toch niet erg naïef? Jullie spreken een andere taal!’.

In gezinnen en gemeenschappen waar men ‘het met Christus heeft’, daar zijn ook kinderen en kleinen, armen en zieken heel welkom. Die gevoeligheid van het hart voor al wat klein is en arm, is een wezenlijke kwaliteit van de akkergrond waarop roepingen kiemen. Priesterroepingen kiemen alleen daar waar de armen mogen binnenkomen en mee aanzitten.

Omdat een priester in zich de drang meedraagt - die ook in Christus is - om ‘leven te geven’, heeft hij iets ‘vaderlijks en moederlijks’ in zich. De biotoop waar hij - zoals een plant in een tuin - het best groeit, is dan ook het gezin waar man en vrouw echt vader en moeder zijn. De zorg voor nieuwe priesters begint bij de zorg voor goede vaders en moeders. Want zowel zij als de priester werken met een zelfde liefde.

Wie van Christus houdt, houdt ook van de Kerk. Want wie het hoofd bemint, bemint ook de ledematen. Ze zijn niet van mekaar te scheiden Zeker, er is in de Kerk lauwheid, compromis, zelfingenomenheid en zonde. Er zal dus ook terecht soms kritiek zijn. Maar het is zo, dat men vaak meer van de Kerk gaat houden, naarmate men iets ouder wordt. Die liefde voor de Kerk in onze gemeenschappen en gezinnen, heeft direct te maken met het roepingenprobleem. Is het toch niet uit de handen van de Kerk dat we alles ontvangen: de Schrift, de sacramenten, onze parochie, onze broeder en zusters in het geloof? We kunnen God niet tot Vader hebben, als we de Kerk niet hebben tot moeder.

Priesters komen uit plaatsen waar ook een diepe zin heerst voor innerlijkheid; voor de vreugde van het bidden en de interioriteit. Ze ontstaan daar waar ook vaak voor anderen wordt gebeden. Want het zijn de intenties van heel de wereld die door het hart van een priester gaan en voor God worden gebracht. Is hij niet een Mozes die voorspreekt op de berg voor de mensen? Hij moet het toch ergens hebben kunnen leren, dat voorspreken.

Tenslotte wordt de humus waaruit priesterroepingen opschieten, altijd gekenmerkt door soberheid, gastvrijheid en evangelische vreugde, waar men iets kan prijsgeven. Wie veel geeft, zegt Jezus, krijgt veel terug (cf. Mt 19,29). Er steekt vreugde in het delen en in een diep vertrouwen dat God voor ons zorgt, meer nog dan voor de vogels in de lucht en de lelies op het veld.
Dan willen we – omdat Jezus het zegt – vandaag vragen aan de Vader om roepingen. Maar daarom ook niet minder om gemeenschappen en gezinnen waar Christus en de Kerk met passie worden bemind, waar de armen en de kleinen welkom zijn, waar goede vaders en goede moeders wonen, die biddend, sober en gastvrij zijn en waar vreugde en vertrouwen heerst, omdat God ons aller Vader wil zijn. Daaruit kunnen en zullen priesters komen. Maar ook die gemeenschappen en die gezinnen, die moeten we nog aan God vragen. Ook die kunnen we zelf niet maken. Hij kan dat. We zullen het Hem vragen, allen samen.

+ Godfried Kard. Danneels
Aartsbisschop van Mechelen-Brussel