CheckStat
Fundamentele rechten van de gelovigen Rechten en plichten van de gelovigen in de Kerk

De fundamentele rechten van de gelovigen

Iedereen is tegenwoordig vertrouwd met het begrip mensenrechten. Honderd jaar geleden was het niet goed denkbaar een Universele Verklaring van de Rechten van de Mens algemeen aanvaard te krijgen. Is er een Verklaring van de Rechten van de Gelovigen? En zo ja, leeft dat in de kerkelijke praktijk?

Wanneer de mensenrechten in een samenleving gerespecteerd worden kan je zeggen dat de mens overeenkomstig zijn waardigheid leeft. De meest elementaire mensenrechten zijn niet die van voedsel, werk en behuizing, al zijn die rechten nog zo belangrijk. De vrijheid om de waarheid te kennen en om het goede te doen zijn noodzakelijker om gelukkig te kunnen zijn. Kijk bijvoorbeeld naar ons ontwikkelde Westen. Hoeveel mensen zijn er niet die van alles hebben en een droevig bestaan leiden? Jezus wijst op het fundamentele recht en plicht van de mens om "…de waarheid (te) kennen" want alleen "de waarheid zal u vrij maken" (Joh. 8,32). Men heeft het recht om menselijk en goed te zijn, niet het recht om onmenselijk te zijn. Men heeft geen recht om moordenaar, dief of fraudeur te zijn. Dit ligt wel in ons vermogen, maar we hebben daar geen recht op. De mensenrechten steunen op het simpele feit dat iemand mens is, onafhankelijk van hun erkenning door de overheid.

De rechten van de gelovigen in de kerk

Het christelijk leven begint bij het doopsel. Daarmee wordt je "burger" van de christelijke gemeenschap; je ontvangt het merkteken van de kinderen van God. De basisrechten van de christen zijn rechten naar het voorbeeld van Christus "de eerstgeborene onder vele broeders" (Rom. 8,29). Al onze rechten als christenen kunnen we samenvatten in het recht om Jezus te ontmoeten in Zijn Kerk: het recht om het bovennatuurlijk leven van de genade te ontvangen, om door Christus geheiligd te worden. Een van de primaire taken van de hiërarchie in de Kerk is de rechten van de gelovigen beschermen opdat ze Christus kunnen ontmoeten.

Het Tweede Vaticaanse Concilie wierp licht op het thema van de fundamentele rechten van de gelovigen. Men overwoog serieus een Grondwet van de Kerk te ontwerpen, een Lex Ecclesiae Fundamentalis. Veel studie is eraan besteed. Ten slotte heeft men besloten van dit plan af te zien. Desalniettemin, veel van de inzichten die de studie en de discussies rond de mislukte ‘grondwet’ zijn later opgenomen in het Wetboek van Canoniek Recht (de Codex) van 1983. De Kerk heeft in de beschrijving van de fundamentele rechten de fundamentele plichten niet vergeten. De door de Verenigde Naties aangenomen Universele verklaring van de rechten van de mens vermeldt in artikel 29 dat "eenieder plichten heeft jegens de gemeenschap, zonder welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is". Voor de rest kun je veronderstellen dat tegenover rechten plichten staan.

Fundamentele rechten in het canoniek recht

Op grond van het doopsel bestaat tussen alle christengelovigen, -leken en priesters, seculieren en religieuzen-, "een ware gelijkheid in waardigheid en handelen, waardoor allen, ieder overeenkomstig de eigen plaats en taak, aan de opbouw van het Lichaam van Christus meewerken" (c. 208). De clerici en de religieuzen zijn niet meer christen dan de andere gelovigen. Zij hebben wel een zwaardere plicht bij hun bediening om stimulans te zijn voor de rest van het volk. Alle gelovigen zijn gebonden aan de verplichting altijd de gemeenschap met de Kerk te bewaren. Met grote nauwgezetheid dienen zij de plichten te vervullen waartoe zij gehouden zijn zowel jegens de Kerk als geheel als jegens de particuliere Kerk waartoe zij behoren (c. 209). Allen moeten overeenkomstig de eigen roeping "hun krachten aanwenden om een heilig leven te leiden" en om "de groei van de Kerk en haar voortdurende heiliging te bevorderen" (c. 210).

Zouden wij niet in dit besef van onze plichten en rechten kunnen groeien? Is het niet zinvol om onszelf wat op te offeren door het nakomen van onze morele verplichting tot eenheid? Christus blijft ondanks alles vertrouwen hebben in de christengelovigen om zijn hartewens van de eenheid in vervulling te doen gaan. Om deze gemeenschap met Christus werkelijkheid te maken hebben de christenen "het recht uit de geestelijke goederen van de Kerk, vooral uit het woord Gods en de sacramenten, bijstand van de gewijde Herders te ontvangen" (c. 213). De christengelovigen "hebben het recht de eredienst aan God te voltrekken volgens de voorschriften van de eigen, door de wettige Herders van de Kerk goedgekeurde ritus, en een eigen vorm van geestelijk leven te volgen, in overeenstemming evenwel met de leer van de Kerk " (c. 214). Dit heeft als gevolg voor de pastores de verplichting om in deze fundamentele rechten van de gelovigen te voorzien. "In de bediening van het woord, die moet steunen op de Heilige Schrift, de traditie, de liturgie, het leergezag en het leven van de Kerk, moet het mysterie van Christus volledig en getrouw voorgehouden worden" (c. 760).

Schending en bescherming van de rechten

Kerkelijke rechten kunnen veronachtzaamd worden door de dragers zelf. Ook kunnen zij geschonden worden door de kerkelijke overheid. De Codex voorziet de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen de besluiten van de kerkelijke overheid, met uitzondering van die welke door de Paus zelf of door een Oecumenisch Concilie worden uitgevaardigd (c. 1732). Uiteraard beseft het kerkelijk recht dat de wet alleen niet voldoende is. Het is altijd wenselijk door gezamenlijk overleg tot een billijke oplossing te komen (c. 1733). Mocht dat niet lukken, dan staat de weg naar de kerkelijke rechtbank open.

Kerkelijke rechten kunnen op passende wijze uitgeoefend worden door degenen die ze bescheiden vragen en ontvangen. Geloof en genade zijn vrije gaven van God. Men heeft de rechten die God geeft. De Kerk erkent, verkondigt en beschermt de kerkelijke rechten. De sacramenten, die door Christus aan de Kerk zijn gegeven bepalen haar structuur. Hierin mag de Kerk geen wezenlijke veranderingen aanbrengen. Dit geldt bij voorbeeld in de discussie omtrent de "wijding van vrouwen". We mogen niet vergeten dat er geen "recht op wijding" bestaat. Niemand - ook niet de man - heeft het recht om gewijd te worden.

Recht van tegenspraak

Een laatst woord zou gezegd kunnen worden over het zogenaamde "recht op tegenspraak" -"the right to dissent"-, een door sommigen gepropageerde vorm van vrijheid van meningsuiting. Als men hiermee bedoelt het recht op het hanteren van een bepaalde mening –niet algemeen aanvaard – in zaken waarin het leergezag zich niet heeft uitgesproken, dan is dat acceptabel. Als men hieronder verstaat het recht om tegen het leergezag in te gaan of het weigeren om het magisterium te aanvaarden, dan spreekt men over een "recht" dat geen christengelovige katholiek heeft of ooit zal kunnen hebben. Iedere katholiek heeft het vermogen om het leergezag te verwerpen maar niet het kerkelijk recht hiertoe. De reden is helder: het leergezag tegenspreken in zaken van geloof en moraal is ingaan tegen de geest van Christus, zoals die aan ons door de eeuwen heen is overgeleverd. Het zou betekenen onszelf van Christus te scheiden, onze gemeenschap met Hem verliezen, het fundamentele recht van de gelovigen schenden, de katholieke identiteit verliezen.

Rafael Ojeda

Amsterdam

3 januari 99

www.rojeda.dds.nl