CheckStat

 

Kerkelijk Recht en de pastoraal werk(st)ers

(Schets van de situatie van de p.w. in Nederland vóór de beleidsnota "Meewerken in het pastoraat")

1. De Romeinse instructie van 1997 *
2. Brief van enkele Nederlandse bisschoppen van 1989
*
3. Wat voor p.w. heeft de RK kerk nodig?
*
4. Overzicht van taken en verantwoordelijkheden
*
5. Specifieke taken van de p.w.
*
6. Voorwaarden om als p.w. te worden aangesteld
*
7. De hoop op een goede samenwerking
*
8. Tussentijdse balans
*
9. Angst voor gevaar?
*
10. De auteur?
*

1. De Romeinse instructie van 1997
Wij verwachten binnenkort een document van de Nederlandse bisschoppenconferentie over de toepassing van de Romeinse instructie van 15-8-97 inzake de medewerking van de leken aan de bediening van de priesters. Waarom duurt het zo lang om een document in deze materie te vervaardigen? Waarom is het zo ’n gevoelig onderwerp? Een mogelijke verklaring wordt hier gegeven: wat de bisschoppen straks gaan zeggen is niets nieuws. Het staat in het algemeen kerkelijk recht en in bijzondere besluiten voor de Nederlandse Kerkprovincie. Het doornemen van de recente geschiedenis helpt om in te zien dat in het verleden een en ander geschreven is door de bisschoppen maar de praktijk is een andere kant op gegaan.

2. Brief van enkele Nederlandse bisschoppen van 1989
Op 19 juni 1989 – nu weer 10 jaar geleden – naar aanleiding van de Apostolische Exhortatie "Christifideles laici" (CFL) van paus Johannes Paulus II, over "de roeping en de zending van de leken in de kerk en in de wereld" hebben verschillende Nederlandse bisschoppen een brief gepubliceerd. Die brief is gericht aan de pastoraal werk(st)ers (p.w.) en ondertekend door de bisschoppen van Breda, Groningen, Haarlem, Rotterdam en Utrecht. De bisschoppelijke brief is indertijd gepubliceerd in Kerkelijke Documentatie 1-2-1, 18 (1990) 4, pp. 13-18. De enige nog in functie ondertekenende bisschop is Kardinaal Simonis. De bisschoppen van Roermond en Den Bosch hadden in die tijd de p.w. nog niet erkend. Deze bisdommen laten wij in dit stuk buiten beschouwing.

Het is verbazingwekkend om te zien hoe duidelijk de fundamentele overwegingen en bepalingen zijn van de brief van juni 89, over hetzelfde onderwerp als wat er nu verwacht wordt dat de bisschoppen zich erover uitspreken: de positie en de taak van niet gewijde pastoraal werkenden ten opzichte van de gewijde bedienaars.

Het eerste dat me opvalt is de grote overeenkomst van de brief van 19-6-89 met de latere Romeinse instructie van 1997. De brief van de Nederlandse bisschoppen van ‘89 heeft een algemene inleiding om de problematiek in te kaderen. Vertrekpunt is dat alle gelovigen, krachtens het Doopsel en het Vormsel de roeping en zending ontvangen om mee te werken aan Christus’ heilsactiviteit in kerk en wereld. Naast deze eenheid van roeping van alle gelovigen is er verscheidenheid van bedieningen, ambten en functies. Dankzij deze verscheidenheid en complementariteit staat iedere lekengelovige in relatie met heel het kerkelijk lichaam, terwijl hij er zijn of haar eigen bijdrage aan levert (nr. 20 CFL). Alle christengelovigen dienen apostolisch te zijn. Allen dienen het menselijk bestaan te kerstenen en uitnodigend blijk geven van de hoop die hen bezielt (1 Petr. 3,15). Voor de meeste gelovigen speelt het leven zich af in het milieu van gezin, woonplaats en arbeid om in het bestaan te voorzien. De apostolische geloofshouding van de christengelovige leek heeft primair een uitgesproken seculiere, op de wereld en de samenleving gerichte oriëntatie. De wereld is het eigen "werkterrein" van de leek. De specifieke verantwoordelijkheid van de lekengelovigen is het gewone beroeps- en gemeenschapsleven te heiligen (nr. 17 CFL).

Enkele gelovigen worden geroepen en sacramenteel gezonden om uitdrukkelijk en permanent werkdadig gestalte te geven aan Christus als Herder, priester en leraar van zijn kerk. Dit zijn de bisschoppen, de priesters en de diakens.

Ook aan lekengelovigen kunnen taken worden toevertrouwd die op verschillende wijzen meer onmiddellijk met de hiërarchie meewerken (nr. 23 CFL). Dit zijn onder meer de pastoraal werkers.

Pastoraal werk(st)ers zijn geschoolde krachten die met een contract voor de kerk werken. Wat is de plaats van de p.w. in de katholieke kerk? Hoe kan de hiërarchie steunen op deze leken die zich bezig gaan houden met iets wat (tot voor kort in een eeuwenlange traditie) niet hun meest specifieke taak is? Hoe ver kan men bepaalde taken delegeren in deze tijd van schaarste aan gewijde bedienaren?

3. Wat voor p.w. heeft de RK kerk nodig?
Vanaf 1965 zijn er in enkele Nederlandse bisdommen theologische en pastoraal geschoolde lekengelovigen ingeschakeld in het pastoraat. De p.w. worden door de plaatselijke bisschop aangesteld (en betaald) als de noodzaak of het nut van de kerk het eisen, volgens de normen van het algemeen recht (CFL n. 23). Het algemeen recht maakt het mogelijk aan leken toe te vertrouwen: de bediening van het woord, in de liturgische gebeden voorgaan, het Doopsel toedienen, en de heilige Communie uitreiken (canon 230.3 van Wetboek Canoniek Recht).

De bisschoppen van Nederland herkennen de noodzaak en het nut van deze mogelijkheid voor de kerk die aan hen is toevertrouwd. Tevens, zeggen zij, moet een gemakkelijk en onrechtmatig beroep op noodsituaties worden vermeden door een meer rationele planning. Het gaat erom de wezenlijke verscheidenheid van bedieningen te doen samengaan met de complementariteit.

4. Overzicht van taken en verantwoordelijkheden
In juni van het jaar 1989 stellen de bisschoppen vast:

  1. In onze bisdommen is de leiding van parochies en dekenaten toevertrouwd aan de priesters.
  2. De diakens dienen het volk van God door de diakonie van de eredienst, de verkondiging en de liefdewerken.
  3. Overeenkomstig Lumen Gentium 33 en canones 228 en volgende van het kerkelijk wetboek kunnen ook lekengelovigen een kerkelijke zending toevertrouwd krijgen.

5. Specifieke taken van de p.w.

  1. Er is een eerste brede groep taken die steunt op de sacramenten van het Doopsel en het Vormsel. Taken op het gebied van katechese, begeleiding van gelovigen, kerkelijk opbouw werk en vormingswerk zoals kadervorming, jongerenpastoraat, geestelijke verzorging van de krijgsmacht, toeristenpastoraat, dekenaal assistent(e).
  2. Vervolgens (in overeenstemming met Vaticanum II, Apostolicam Actuositatem n. 24) taken die nauwer met het herderlijk ambt verbonden zijn: de voorbereiding van de gelovigen op de sacramenten, en op liturgische vieringen; de pastorale begeleiding in tijden van ziekte, hoge leeftijd en gevangenschap.
  3. Ten derde, taken die met de herderlijke bediening (van de priesters) verbonden zijn maar niet het kenmerk van de wijding vereisen. Als de gewone bedienaar afwezig of verhinderd is, dient de p.w. geoorloofd het doopsel toe, wanneer de plaatselijke bisschop hem of haar voor deze taak heeft aangewezen (c. 861). P.w. kunnen meewerken aan de uitoefening van de bediening van het woord (c. 759 en 772). De homilie, -de preek tijdens de Mis- blijft echter voorbehouden aan de priester of de diaken (c 766 en 777). Huwelijken kunnen niet geldig gesloten worden met assistentie van de p.w.. De Bisschoppenconferentie acht het nog niet opportuun om verlof aan de Heilige Stoel te vragen om dit te kunnen doen (cc. 1108 en 1112). Dit betekent dat het mogelijk is verlof te vragen en dat het gegeven kan worden. Het sacrament van de ziekenzalving kan niet geldig door een p.w. worden toegediend en ook niet door een diaken. Dit kan alleen door degene die de priesterwijding heeft ontvangen (c 1003).

Het spreekt voor zich dat deze taken aan leken kunnen worden toevertrouwd die geen pastoraal werker zijn: gewone gelovigen op grond van hun doopsel die de juiste bevoegdheid kunnen krijgen.

6. Voorwaarden om als p.w. te worden aangesteld

  1. Een theologische en pastorale opleiding die beantwoord aan de eisen die door de bisschop zijn vastgesteld in overeenstemming met afspraken binnen de bisschoppenconferentie.
  2. Dat de bisschop de kandidaat als persoon geschikt acht om de functie te vervullen. Hij moet kunnen vaststellen dat de kandidaat een diep gelovig mens is, leven volgens het evangelie, trouw aan de leer van de kerk.
  3. Bereid zijn om zijn/haar opdracht te vervullen in verbondenheid met en onder de leiding van de bisschop.

Deze voorwaarden komen aan de orde in de gesprekken met de bisschoppelijke gedelegeerde voor de p.w. De begeleiding door deze gedelegeerde zal geruime tijd in beslag nemen.

7. De hoop op een goede samenwerking
De bisschoppen hoopten dat iedereen zijn plaats zou vinden in de kerkelijke bediening: in de liturgie en de sacramenten. Het streven van de bisschoppen was pastorale teams samen te stellen, die bestaan uit een of meer priesters, diakens en pastoraal werkers. In de parochies staat het pastorale team onder de leiding van de pastoor (c. 517.2; 519 en 545.1). Men zal elkaar tot steun zijn. Men dient de gemeenschappelijke opdracht te vervullen in overeenstemming met ieders eigen roeping. Voor de uitoefening van de opdracht van het pastorale team weet de eigen bisschop zich verantwoordelijk.

8. Tussentijdse balans
Hoe is de toepassing van de wens van de bisschoppen in de praktijk gegaan?

Sinds 1965 (en vooral sinds de brief van 1989) is er veel ervaring opgedaan om met enige nauwkeurigheid vast te stellen welke de plaats is van gewijden en niet gewijden in de kerkelijke organisatie.

Problemen zijn ontstaan in de pastorale praktijk wanneer de pastoor of priester teveel taken naar zich toetrok die hij beter kon delegeren. Door het toenemende priestertekort is dit zelden het geval geweest. Veelal zijn er problemen ontstaan wanneer de niet gewijde medewerkers van de priester taken uitvoeren die volgens de geldende normen de wijding vereisen.

Een nieuwe aanpak in zicht?
Verschillende Nederlandse bisschoppen – mogen wij veronderstellen – hebben de afgelopen jaren herhaaldelijk hun zorg aan de Romeinse instanties geuit. Dat is de reden dat de Romeinse instructie van 1997 is uitgevaardigd. Een ongewone remedie voor een ongewone problematiek die de kern van de katholieke kerk raakt. Men kan concluderen dat de doelstellingen van de bisschoppelijke brief van 1989 niet zijn bereikt. De praktijk in een beduidend aantal Nederlandse parochies verschilt in hoge mate van de gewoonte in de wereldkerk.

In augustus 1997 is het de hoogste autoriteit van de kerk geweest die gesproken heeft. De wetgever vult het wetboek van canoniek recht aan en interpreteert daarbij enkele minder duidelijke canones die voor meerdere uitleg vatbaar waren. Acht Romeinse Congregaties en Raden hebben een keuze gemaakt van de opgedane ervaring en hebben bepaald wat voor de universele kerk en voor de plaatselijke kerken verantwoord is.

Een hele brede consultatie is voorafgegaan aan dit document. In elke gemeenschap komt er een tijd van beslissen. De Katholieke Kerk is geen democratie. Toch is het moeilijk een instelling te vinden waar bestuurders meer geduld uitoefenen dan in de Katholieke kerk. Zouden de p.w., en de geestelijken die een andere mening zijn toegedaan, de taak van de bisschoppen als bestuurders van onze kerk niet kunnen vergemakkelijken door uit vrije wil de bestaande kerkelijke wetten te accepteren en na te leven?

9. Angst voor gevaar?
Is de kerk bang voor de p.w.? Is er reden om er bang voor te zijn? Ja. Het fenomeen ‘pastoraal werker’ verkeert in een experimentele fase; het is in feite een ‘pastoraal experiment’ dat nu al langer dan 25 jaar duurt (brief 19 juni 89, besluit). Of het een haalbaar instituut is, en of het voortgezet zal worden in de toekomst zullen we maar afwachten. Wanneer de p.w. zich houden aan de kerkelijke regels is er kans dat ze een plaats krijgen in de kerkelijke organisatie. Als de gelovigen op eigen houtje hun eigen gang gaan voorzie ik dat het op teleurstelling van velen zal uitlopen. De Kerk is niet bang voor pastoraal werk(st)ers die de juiste leerstellige vorming en spiritualiteit hebben. De Kerk wil dat iedere gelovige zijn plaats inneemt en meehelpt aan haar opbouw: gewone gelovigen, pastorale werkers en gewijde gelovigen. Als men wil dat de p.w. een plaats in de kerkelijke organisatie krijgt dienen we ons allemaal aan de wet te houden. Het gaat er niet om de priesters tegen de p.w. uit te spelen. Laten we ons niet blindstaren op het beperkte gebied van de gelovigen die als pastoraal werk(st)er aangesteld worden. De wereld is het eigen "werkterrein" van de leek. De specifieke verantwoordelijkheid van de lekengelovigen is het gewone beroeps- en gemeenschapsleven te heiligen (nr. 17 CFL).

Dr Rafael Ojeda
Amsterdam, 10 juli 1999
De schrijver is kerkjurist en als priester werkzaam in Amsterdam.
www.rojeda.dds.nl