CheckStat
De onwaarschijnlijke Christus

De onwaarschijnlijke Christus
Lezing tijdens symposium rk studentenpastoraat in Amsterdam,

12-X-2001
Willem Jan Otten

Terwijl de datum naderde waarop u zo vriendelijk zou zijn om klaar te zitten voor de apologieŽn van drie heren en een voorzitster, leek het steeds futieler te worden, deze onderneming. Er is een soort oorlog gaande. Het zijn geen tijden, zo lijkt het, om de fundamenten van je geloof bloot te leggen. Als de wereld in een godsdienstoorlogssfeer van angst en haat geraakt, gevoed door een spiraal van wraak, is het moeilijk om de taal te vinden waarin over de orthodoxie van je religieuze overtuiging kan worden nagedacht. Het is, kortom, een wel erg ongelegen moment om van een religieus 'wij' te spreken, van 'ons' geloof. Er wordt juist dezer dagen door gelovigen teveel over 'jullie' geloof, en vooral 'jullie' ongeloof gesproken. Daarbij wordt de naam van God zo gewelddadig ingeroepen, dat je begint te vrezen dat iedere geloofsbelijdenis uitgelegd zal worden als een duit in het hatende zakje. Het lijkt in onze contreien momenteel maar het veiligst om een agnost te zijn. Dan heb je in ieder geval de verdenking in de kern een verdoemende fundamentalist te zijn van je afgewenteld.
Angst, haat en de macht van vijandbeelden zijn de beproeving bij uitstek voor een gelovige. Het is tijdens een beproeving altijd zaak om het je weer af te vragen. Wat betekent de centrale aanname van je religie? Wat bedoelt een christen als hij zegt dat het allemaal om de Menswording draait? Wat doet dit leerstuk met zijn angst, zijn haat, met zijn geneigdheid om in onbekenden vijanden te zien, mensen die uit zijn op wat hem het liefste is?

Ik sta hier omdat ik me laat rekenen tot de gelovenden.
In mijn geval betekent dit dat ik er volledig van overtuigd ben geraakt, op een dag, dat Jezus is geweest wat Hij zei te zijn, en wel God.
Ik zeg op een dag; in werkelijkheid heb ik er zes jaar over gedaan om te veranderen van iemand die gelooft dat hij 'iets' zou willen geloven, in iemand die er bij een priester om vraagt om gedoopt te mogen worden, en gevormd, en opgenomen in de Kerk van Christus.
Over de stadia van dit proces zal het hier niet gaan. Het is even opwindend en vechterig en ondoorgrondelijk geweest als het proces van kinderwens tot en met vaderschap. Om eerlijk te zijn: het is nog altijd grotendeels onreconstrueerbaar, en bovendien zit ik er nog midden in, zelfs al is het inmiddels twee en een half jaar geleden dat ik de stap van de hoge zette, het doopvont in. Een bekering is inderdaad als een sprong - het is alsof je eenmaal vallend onderweg blijft. Ik ben weliswaar opgenomen in de Kerk, maar een christen durf ik me nauwelijks te noemen - dat klinkt alsof ik het ben. Wie dat zegt, verhaspelt doel en tocht. Als ik mezelf in interviews of artikelen soms toch zo heb genoemd, dan was het alleen om duidelijk te maken dat ik me voor de weg die ik probeer te gaan niet schaam.
Het weinige wat ik er wel van begrijp, is dat ik gedurende de bekering steeds scherper ben gaan beseffen dat ik het allemaal nooit had kunnen geloven als ik het had kunnen geloven.

Het klinkt als een al te lekkere, badinerende paradox. Het is bij benadering het diepzinnigste wat ik over het geloof in Jezus kan zeggen. Als ik het had kunnen geloven, dan zou ik het niet zijn gaan geloven.
Wat ik hier te zeggen heb heeft als doel dit te verduidelijken.

Er zijn altijd veel zaken geweest waar ik in geloofde. Dat Wim Kok een betrouwbaar minister-president was. Dat mijn zoon niet loog toen hij niet wist waar het honderdje was dat ik eens kwijt was. Dat de tank van mijn auto nog voor honderd kilometer benzine bevatte als de wijzer het rode streepje begon te raken. Dat mijn fiets er nog zou staan als ik 's avonds de stalling in kwam. De hele dag door en mijn leven lang had ik zulke dingen geloofd. Waarmee ik bedoel dat ik nooit heel pertinent zeker hoefde te weten of het werkelijk waar of onwaar was wat ik aannam, om er toch op te vertrouwen. Mocht het onwaar zou zijn, en Kok bleek een fraudeur, mijn zoontje een jokkebrok en mijn fiets gestolen, dan merkte ik dat wel, en dat was vroeg genoeg. Zonder zulk geloven zou mijn leven achterdochtig geworden zijn, principienreiterig en vooral: dodelijk onrustig.
Laat ik dit soort geloven het weerlegbaarheidsgeloven noemen. Je neemt iets voor waar aan tot het tegendeel blijkt; blijkt het tegendeel, dan kan dat lastig zijn, ontnuchterend, en soms zelfs vernederend,- maar mortaal onoverkomelijk is het niet. Eigenlijk zouden we het liefst zien dat op alles wat we niet willen of kunnen onderzoeken, dwz: op elke vraag naar wat we met eigen ogen niet zullen verifiŽren, een antwoord bestaat waar we gerust in kunnen geloven. Is Kok betrouwbaar? Wordt het morgen dag? Moet ik mijn verstandskiezen snel laten verwijderen? Het probleem is natuurlijk dat er andere vragen bestaan.
Moet ik abortus plegen?
Mag grootvader dood als hij lijdt?
Tot wie richt ik me als ik bid?
Waartoe ben ik schrijver?
Dit zijn vragen van het type waarop een antwoord komt waar je nooit op dezelfde manier zeker van bent als het antwoord op: is Kok betrouwbaar, of: zal mijn fiets er nog staan. Liefst zouden we van te voren onwrikbaar zeker weten dat als we abortus pleegden, omdat het ons de meest rationele beslissing toeschijnt, wij er voor altijd zeker van zouden zijn dat het onweerlegbaar juist was om het gedaan te hebben; dat wanneer we grootvader uit zijn lijden verlosten, omdat hij daar zo duidelijk om leek te vragen, wij nooit bezocht zouden worden door de gedachte dat we een dood op ons geweten hebben; dat we baden omdat God voor ons gebed bestond zoals zwaartekracht voor een appel; dat we schrijver waren omdat ons boek de mensen deed begrijpen wat de zin van hun bestaan was.
Maar we zijn hier niet zeker. Het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent, zei Pascal, en het is ons hart dat dit type vragen stelt. We kunnen alleen maar weten dat we altijd onverhoeds bespookt kunnen worden door de alles weerleggende tegenstem, die niet met feiten komt, maar met schuld, of zondebesef, met angst voor een oordeel. Van wie of van waar deze tergende weerlegging komt begrijpen we niet goed - het is op een bepaalde manier alsof hij niet helemaal van ons zelf is. In een enkele slapeloze nacht kan altijd de rationele, heldere zekerheid die wij bezaten toen wij geloofden het rationele te doen, onderuit worden gehaald, omdat we plotseling beseffen dat er dwars door ons heen wordt gekeken. Door wat? Door wie? Zelfs het kordaatste, wetenschappelijkste antwoord: door niets, want er bestaat geen Rechter, houdt geen stand. Altijd kan het zijn dat eens je hele, zelfdoordachte, eigenmachtige bestaan op drijfzand is gebouwd. Niet omdat je met nieuwe feiten bent geconfronteerd, maar omdat je plotseling beseft dat je eens afgerekend zult worden.
Als wij hier, op dit terrein van het hart, op een antwoord vertrouwen, dan is het nooit omdat we kunnen verwachten dat het eens geverifieerd kan worden zoals een wetenschappelijk feit dat kan worden. Als we er desondanks van overtuigd raken dat we uitgerekend in de sfeer van deze vragen op bepaalde antwoorden zouden moeten kunnen vertrouwen,- dan beginnen we te geloven dat we moeten geloven. Je zou dit het onwaarschijnlijkheidsgeloven kunnen noemen. Het is volstrekt onwaarschijnlijk dat het antwoord een onwrikbaar feit zal opleveren. Het is zelfs niet zeker dat je vreesachtige, schuldbewuste onrust zal bedaren. Onrustig mijn hart, tot het rust vindt in U, zegt Augustinus helemaal in het begin van de Belijdenissen,- maar zelfs dat is, om te beginnen, niet zeker. De rust van het geloof wordt je beloofd, niet per levensverzekering gewaarborgd. Toch moet je het erop wagen. Het is alleen maar een antwoord als het geloofd wordt. Of niet.

Welnu. Er is mij nooit gevraagd om te geloven in iets dat onwaarschijnlijker is dan Jezus, dat wil zeggen: in God die een mens werd.
Er is niets aan het evangelie dat ik zelf bedacht had kunnen hebben, schreef de engelse bekeerling C.S.Lewis in zijn meesterlijke boekje Verrast door vreugde. En het grootse beschouwingen-boek De Heer van Romano Guardini is gebaseerd op een soortgelijke verbijstering. Gesteld: er bestaat een Almachtige, wiens wegen ondoorgrondelijk zijn, zozeer, dat je eigenlijk alleen kunt zeggen dat hij in de loop van de geschiedenis voor de mensen steeds meer een Verborgene is geworden - verscholen in een ondoorgrondelijk wrede schepping. Gesteld: hij wil zich kenbaar maken door een mens te worden. Waarom heeft hij dat dan gedaan in zo een onaanzienlijke en vooral: zwakke, sterfelijke gedaante als die van deze volslagen roemloze Jezus?
Eenvoudiger gezegd: als deze God zo nodig een mens moest worden, waarom heeft hij zijn almacht dan niet gebruikt?

Het voordeel van deze vraag is dat je niet op voorhand in het aanstootgevende leerstuk van de Incarnatie hoeft te geloven, om toch een wezenspunt van het geloof te kunnen isoleren en omcirkelen.
Beweerd wordt dus, door belijdende christenen, dat de onkenbare Almacht zich wel degelijk eenmaal kenbaar heeft gemaakt, en wel door hetzelfde schepsel te worden als dat wat, op grond van zijn geheimzinnigste gave: het bewustzijn, in God zou kunnen geloven, maar het niet deed: namelijk een mens. God werd een mens. Het is van belang om het simpele werkwoord in dit zinnetje aandachtig te beschouwen. Er staat werd. Verleden tijd. Dit alleen al is een paradox, een strijdigheid. God is, zou je zeggen, het aldoor nimmer aflatend wordende, ' ik ben die worden zal', zegt Hij zelf in Exodus. Hoe kan het altijd wordende dan beperkt worden tot een iemand die er maar even is geweest?

'Mensen die dit geloven bedoelen het vast overdrachtelijk.'
Ik denk dat dit de meest voorkomende reactie is die een bekeerling te horen krijgt. Je zegt nu wel ineens dat je dit gelooft, maar je bedoelt het alsof. Je voert uit wat Frans Kellendonk heeft aanbevolen: oprecht veinzen. Je veinst dat je in Jezus iets goddelijks ziet, en dat noem je dan je grote geloof. Maar het blijft projectie, je plakt iets ideaals op iets menselijks en noemt dat goddelijk. En waarom doe je dat? Omdat je mooier wil zijn dan je bent; indrukwekkender; vager, vooral. En je wil bij een 'wij' horen, een kudde.
Het is verzengende kritiek - maar het laat het gedachtenexperiment van Guardini en Lewis onverlet. Als mensen uit kudde-instinct en individualiteitsangst zo nodig een God willen projecteren die mens wordt,- waarom dan een man die, als we hem in onze hedendaagse situatie voorstellen, ongeveer in Nickerie ter wereld komt, of een andere negorie in een uithoek van het koninkrijk; die alleen gedurende de laatste achttien maanden van zijn korte leven langs de Marowijne zijn opvattingen verkondigt, en dan, met maar twaalf volgelingen (waarvan er een niet deugt), optrekt naar Paramaribo om daar door een mengeling van zinloos geweld en criant slechte advocatuur op een abbatoirachtige manier aan zijn einde te komen?
Of ook anders gevraagd: als het waar is dat de evangelisten, en ook nu nog de dienstdoende priesters, en uiteraard het vreemde bosje grijsaards dat je kunt zien knielen en zingen in een van de laatst overgebleven godshuizen, echt geloofden dat een man de incarnatie van de onbenoembare God heeft kunnen zijn-, waarom geloven ze dan niet in iemand die veel aanzienlijker, talentvoller, zeg maar: Keizer Marcus Aurelius-achtiger was? Waarom hebben ze niet een invloedrijker, centraler en vooral: succesvoller figuur dan Jezus de menswording laten zijn? Waarom funderen ze hun geloof niet op iemand die een rustige, wijze, contemplatieve oude dag mocht beleven, met achterlating van een eigenhandig volgeschreven bibliotheek vol overtuigende geloofsredeneringen? Waarom bedachten zij iemand wiens leer nergens letterlijk nagelezen kan worden, en wiens biografen elkaar tegenspreken? En als alles wat wij aan de Jezus zoals wij hem kennen dan toch fictie en wishful thinking is, waarom dan niet geloofd in iemand die houtsnijdende wonderen verricht, iets wat vergelijkbaar is met de vliegtuigen rakelings langs de Twin Towers laten schampen en daarna rustig en zingend laten landen op een grazige weide in Connecticut? Of, historisch juister, het wonder dat Nero ongeboren had gelaten, of hem had omgetoverd tot een talentvolle violist die geen christengeworden joden hoefde te laten fakkelen in zijn tuin? Of, misschien nog overtuigender, een Jezus die, eenmaal aan het kruis gespijkerd, ter plekke zijn dood ongedaan had gemaakt, zijn vervolgers met zijn kalasnykow naar de bliksem geschoten, en zijn lijden omgegoocheld in een roes van, desnoods morfinistische, gelukzaligheid?

Welbeschouwd is er niets aan Jezus, zoals we die uit de evangeliŽn kennen, geloofwaardig - hij is werkelijk de laatste waar je aan zou denken als je een halfgod nodig had om een nieuwe wereldorde mee te stichten. Zijn leven is een reeks van mislukkingen en nederlagen geweest, de wonderen even daargelaten, maar die vormen een aparte supercategorie van ongeloofwaardigheid. En vooral uit zijn einde blijkt hoe krankzinnig weinig hij voor elkaar gekregen heeft: zijn handvol vrienden vluchtten alle kanten uit, zijn belangrijkste leerling loochende hem, en niemand begreep meer wat hij bedoelde, behalve misschien twee of drie vrouwen die moesten vrezen dat het waar was, wat hij bijna op het eind riep. Dat hij door God verlaten was.
En toch is het exact deze ongeloofwaardigheid die je ervan kan doen overtuigen dat er maar heel weinig aan deze man door zijn nabestaanden bedacht kan zijn. Telkens wanneer je zegt: maar als hij dan God moet zijn, waarom is hij dan zo zwak, onaanzienlijk, onttakeld, gefolterd door lijden, en zelfs: geslagen door een bijna finale en mortale wanhoop - juist dan besef je dat hij geen fictie is. Dit kun je niet bedenken. Daarvoor gaat dit relaas teveel en te systematisch in tegen wat je kunt bedenken. Wie wil dit uit eigen initiatief kunnen denken? Je bent wel wijzer. Je kunt het zelfs niet geloven.

Er zijn in de evangelies tal van plaatsen aan te wijzen waarop deze ongeloofwaardigheid van Jezus zich speciaal opdringt. Ik denk zelfs dat iedereen die in een skeptische, relativistische tijd geraakt wordt door het evangelie altijd zijn eigen, afgebakende ervaring van ongeloofwaardigheid ondergaat. Een moment dat je ineens moet vechten tegen je tranen als je bedenkt dat er eens mensen zijn geweest die in deze erbarmelijke en machteloze man moesten geloven, en dat zij dat, vaak zonder te kunnen begrijpen wat ze overkwam hebben gedaan.
Ik zeg: moesten geloven. Want je kunt niet geloven dat de mensen die de historische Pasen van Jezus mee hebben moeten maken, helemaal uit eigen beweging de gebeurtenissen wilden zien als godgezonden. Wat wil de almachtige van je, als dit zijn lievelingsmens is, zijn eigen vlees en bloed nog wel? Wat is hier dan toch zijn bewering mee?
De eerste keer dat de lijdensgeschiedenis mij in zo'n ongeloofwaardigheidscrisis stortte, was in de Kerk, op Palmpasen, 1999. Ik ging al vijf jaar steeds regelmatiger naar de zondagsmis. Waarom ik Pascals aanbeveling om, zolang ik niet kon geloven, toch maar regelmatig de godsdienstoefening bij te wonen heb opgevolgd is een ander verhaal. Ik was, zoals dat heet zoekende, maar wilde liefst niet vinden - wat dat betreft was ik echt een postmoderne schrijver uit een relativistische tijdgeest; mijn motto was Koplands 'Wie wat vindt heeft slecht gezocht'. Maar de Mis vond ik fysiek prettig. Ik ging er op de knieŽn, maar niet ter Communie, ongedoopt als ik was. Ik vermoed dat ik op de knieŽn ging voor de God van de Meditatieve Aandacht en de Rinkelende Stilte.
Op eenzelfde echt eindtwintigste eeuwse wijze had ik ook heel wel kunnen geloven in ongeveer Spinoza's Onbewogen Beweger, en in de deistische Natuurmacht waar alles volgens veel ex-christenen van doortrokken is; en ook in de God van de Fictie die door schrijvers als Jorge Luis Borges en Harry Mulisch wordt vereerd geloofde ik moeiteloos, ach, eigenlijk in elke constructie van onze verbeelding kon ik mij wel voorstellen te kunnen geloven - en dus zeker ook in de vele atheÔstische pogingen om de mens te vergoddelijken, zoals communisme, fascisme, en zelfs het kerosinezelfmoordkoranisme, dat van de misdaad een poort naar de verlossing maakt, zelfs daarvan zou ik kunnen geloven dat erin geloofd wordt. In een relativistische tijdgeest moet je in de zaak van de mensen geloven, al is het alleen al omdat je heel goed weet hoe het is om de ervaring te smaken boven je zelf uit te stijgen. Meer bent dan, zo lijkt het, mens. Dat is wanneer je macht hebt, namelijk -sexuele, materiele, geestelijke macht. Invloed. Greep op zielen.
In de vele goden van eigen makelij (die meestal de beredeneerde, filosofische of ideologische goden zijn), is het makkelijk geloven, want je hoeft niet in ze te geloven. Ze zijn overtuigend, want je kunt ze bedenken. Niets is zo verheffend als talentvol zijn, en geniaal.
De Menswording van God is niet geniaal, en dus niet overtuigend. Niet op deze wijze.
Die is, telkens wanneer je tot je door probeert te laten dringen wat zij inhoudt, iets waartegen heel je bewustzijn, je verstand, je intellect, en zelfs, zo lijkt het, je overleversinstinct, juist in opstand komt.

Hoe dan ook - op Palmpasen 1999 drong het voor het eerst goed tot mij door, waarom weet ik niet, hoe krankzinnig moeilijk het geweest moet zijn voor de mensen die Jezus meemaakten in zijn jaar nul om hem tot zijn eind toe serieus te nemen. Raar genoeg begon dit laatste traject van mijn bekering met dat ik geluidloos in de lach schoot. Ineens zag ik hoe ten hemel schreiend klunzig het eigenlijk toegaat, tijdens Jezus intocht in Jeruzalem. Hij zit, als een figuur uit Don Quichote, op een ezelsveulen. De mensen juichen, maar het lijkt nog het meest op carnaval: is dit de grote intocht in de Heilige Stad, de vervulling van de profetieŽn? Wordt hier een begin gemaakt met het laatste offensief in deze Heilige Oorlog? Je kunt je voorstellen dat dit dan dus 'oprecht veinzen' is, van de palmtakjeswerpers langs de weg. En de weinigen die echt in hem proberen te geloven weten niet wat hij terdege moet weten: dat hij binnen enkele dagen opgepakt en verhoord en gevonnist zal zijn,- iets wat alleen maar de slavendood kon betekenen, aan een kruis.
Natuurlijk - ik reageerde als op een verhaal, op fictie. Maar ik reageerde, meer dan bij een roman of een film, ook op iets anders. Ik reageerde op de mensen van wie ik wist dat zij nadien in deze man zijn gaan geloven, op een wijze die mij, zo kwam het me voor, onthouden werd.

In werkelijkheid werd mij niets onthouden, maar wilde ik eenvoudigweg tot geen prijs dat ik vereenzelvigd zou worden met iets wat me een soort slappe lach bezorgde. Iets wat zo makkelijk kon worden afgedaan als absurd, bespottelijk, te schamel voor woorden.
Maar er was in hem geloofd.
Om te beginnen door de apostels, die op dat historische moment vol verwachting waren, want ze hoopten dat dit de beloofde Intocht was, van de Messias. Hun kinderlijkheid was onvoorstelbaar - wie gelooft er nu in zoiets?
De apostelen geloofden op dat moment in iets wat nooit zou gebeuren. Het einde der tijden is niet aangebroken, niet op de wijze van hun religieuze aanname van dat moment. Ze waren in zekere zin zoiets als ik, met dien verstande dat ik niet zozeer het verkeerde geloofde, als wel steeds maar net niet kon of wilde geloven. Ik wist alleen maar dat het niet waar was, wat ze geloofden. Jezus zou zich zelf niet redden om de wereld te redden, hij zou er integendeel als een opgehangen konijn aangaan, hij zou volkomen sterfelijk blijken.
Wie, die mij ervan wil overtuigen dat het hier om de Zoon van God gaat, bedenkt zoiets?
Je kunt je paf projecteren - maar zo'n onwaarschijnlijk, en makkelijk te ridiculiseren verhaal zuig je niet uit je duim.
En wie, die deze grondeloze teleurstelling heeft meegemaakt: geloven dat er een goddelijke reddingsoperatie op til is, en dan meemaken dat je vermeende redder zich zelf niet eens verdedigt als hij verhoord wordt, laat staan dat hij het wisse einde afwendt, of jou beschermt, - houdt dan nog staande dat hier Gods wil werkzaam was, uitgevoerd door Gods zoon?
Toch zijn het vier van deze door en door ontgoochelden geweest die de evangelies hebben geschreven.
Ik moet geholpen zijn geweest door nog iets, wat ik niet in woorden kan vangen - iets wat zich nog het best een ontroering laat noemen, of een aanraking,- maar plotseling wist ik zeker dat het nooit waar kan zijn dat Jezus uit deze vier duimen gezogen is.
Ze zijn op een fundamentele manier verraden geweest. Het was alsof de heiligste beloften hen gedaan (waarvoor ze zelf alles over dachten te hebben) plotseling was geschonden. En toch zijn ze gaan beseffen dat niet zij verraden waren. De verradene was Jezus. Niet door God. Door hen zelf.
Ze hebben, drie dagen na de Kruisiging, hun geliefde en geloochende leraar gezien, en ze geloofden dat hij het was. Ze zijn hem in de daaropvolgende vijftig dagen blijven ontmoeten, en ze geloofden dat hij het was. Ze hebben geen seconde meer gezegd dat het onwaarschijnlijk was, wat ze meemaakten. Ze zagen en voelden eenvoudigweg dat hij het was die er was. Want het onwaarschijnlijkste was al gebeurd, en het was echt gebeurd, voor hun ogen, terwijl ze toen, met hun menselijke, al te menselijke geloof, hoopten op een goddelijke ingreep van het type dat hen is onthouden. Ze hadden een mens gezien die niet alleen beweerd had dat God liefde is, maar die dit ook bewezen had, door zich te offeren. Want zo moest deze dood door mensenhand toch genoemd worden,. Een vrijwillig' offer. Vrijwillig - maar degene die stierf hield tot de allerlaatste snik vol dat hij de wil van een ander vervulde. Van God. De apostelen hadden Gods wil gezien, zijn menswording.
Het was, u merkt het, geen redenering die me deed beseffen dat ook ik Christus zag omdat hij het is die er is. Het was een soort val, terwijl ik dacht dat ik sprong. Maar hoe dit stapje zich ook verzet tegen rationalisering, ik wist dat de duizend bewijzen dat Jezus nooit bestaan heeft nooit het besef ongedaan maken dat we al helemaal nooit zullen bewijzen dat hij wel heeft bestaan. Het ongelooflijke willen bewijzen, dat is onzin. Hoogmoed. Theologische arrogantie. Het begin van alles, van spiritueel machtsvertoon vooral,- maar niet van christendom.

Er is veel van mij gehouden in mijn leven, ik bedoel: ik heb goede, liefhebbende ouders, ik ben ingebed gebleven in een oorlogloze omgeving van respect, en ik heb ontdekt dat veel mensen mij- terecht - een zondagskind vinden, - en toch heeft mij altijd, als een soort benedenoorse grondtoon, het idee beheerst dat ik de moeite van de menselijke genegenheid in de grond niet waard ben. Noem het een soort aartsverongelijktheid. Een tegen mezelf en mijn levenslust gericht onbehagen, een misschien wel verwende en sowieso arrogante stem die, op de raarste en gelukkigste momenten, kon zeggen: je bent nu wel gelukkig, maar waard ben je het niet.
Ik zeg dit niet omdat ik mijn eigen voordoopse zelf zwart wil maken, maar om te verklaren waarom er zo'n grondeloze zucht van opluchting aan me ontsnapte toen het eindelijk tot me doordrong wat het betekent dat Jezus voor mij gestorven was. Als hij werkelijk een mens was als ik (wat ik moeiteloos kon aannemen), dan moet hij ook mijn aartsverongelijktheid gekend hebben, de aanvechting om te denken dat er ten diepste iets onvergeeflijk en onuitroeibaar mismoedigs in me huist, ergens onder in m'n bewustzijn,- een besef dat niets iets uitmaakt want er bestaat niet zoiets als een zin. En toch heeft Jezus mij tot in de dood liefgehad. Kennelijk vertrouwde hij op nog iets, nog dieper weggeborgen, achter het schijnbaar ongeneeslijk mismoedige. Hij vertrouwde erop dat als hij daarvoor stierf, ik zijn offer eens zou begrijpen, dat wil zeggen aanvaarden, dat wil zeggen op mij in zou laten werken door het te gaan geloven. Het zou mij, zo ik werkelijk geloven kon, genezen van mijzelf.

Iemand met zulk een vertrouwen kan alleen maar God zijn, of, correcter, want we moeten het mysterie zo goed en zo kwaad als dat gaat een naam geven: de Zoon van God. De logos. De incarnatie. Alleen als ik geloof dat hij echt bestaan heeft, en echt gestorven is voor mij, voor mij, voor maximo mij, kan ik enigszins begrijpen wat ik door zo opgelucht te zijn al ervoer: dat ik door deze man geraakt ben als door een persoon van wie ik wil houden.

Christus is, wil ik maar zeggen, geen 'beeld', geen 'opvatting', geen 'leerstuk'. Hij is, om te beginnen, een ontroering. Zoals een mens van wie je houdt dat is.

Als het je gegeven is in het Offer van God te geloven, dan word je daar aangegrepen waar je het bangst bent, het mismoedigst, en dus: het vatbaarst voor haat, afgunst en onverschilligheid. Mensen vrezen de natuur, ziekte, de dood - maar de grootste angst hebben zij voor elkaar. Voor het kwaad waartoe de menselijke soort altijd weer, en onverhoeds, schijnbaar redeloos, en dikwijls out of the blue, bij machte is. En dat deze angst de grootste is, komt doordat we het kwaad waartoe mensen in staat zijn kennen van ons zelf. Uiteindelijk zullen we zelfs de grootste, onverschilligste misdaad begrijpen. Er is voor alles, zelfs al denk je nooit zo laag te zullen zinken, een rationele verklaring te bedenken, een psychologische achtergrond, een sociologische oorsprong. Er is iets onherstelbaar begrijpelijks aan het kwaad.

Dit maakt ons voor het denkbare, mogelijke kwaad nog banger dan voor het feitelijke, - als voor ons zelf.
Ik ga niet beweren dat ik boven de angst ben komen te staan omdat ik mijn gebeden ben gaan richten tot de persoonlijke God die zijn leven voor mij gegeven heeft, ondanks dat hij de naakste angst heeft gekend, en dus ook mij, op dat punt, van haver tot gort'. Hij heeft dat gedaan opdat ik niet meer bang zou zijn. Hij wist dat het menselijkerwijs onmogelijk is om de angst te overwinnen, anders dan door te vertrouwen op zijn vertrouwen. In God.
Je kunt dus niet zeggen dat je, eenmaal geraakt en geroerd door de waarheid van de Menswording, beter bent dan de niet geraakten. Je weet alleen maar dat je angst die je als een soort dosis hebt meegekregen bij je geboorte en die vervolgens door de haat, de afgunst en de onverschilligheid eindeloos vermeerderd kan worden - dat die angst je kruis is.
Haat, afgunst en onverschilligheid (of: ongevoeligheid) zijn in feite gestalten die de angst kan aannemen. De patente manieren om niet te hoeven voelen hoe bang je bent "voor wat mensen vermogen. Het Offer van de Mensgeworden God leert je dat je je kruis moet opnemen. Het verschuift iets - het is alsof je, terwijl je verkleind wordt door je angst, een zetje opzij krijgt, en je plotseling mag denken dat je de angst, die je overmande gekregen hebt. Er gaat een grote, mysterieuze kracht uit van dit besef, dat op een andere wijze wordt opgeroepen door de titel van een van de laatste gebeden van Pascal: 'Gebed tot de goede God om mij te leren goed gebruik te maken van mijn ziekte.'

Dat ik geloof komt doordat ik niet kan geloven dat een mens op eigen kracht kan doen wat Jezus heeft gedaan. Hij moet daar bij geholpen zijn, van buiten. Door zijn geloof. In God de liefde. Geloof is alles, behalve door mij zelf bedacht. En juist dit is van het geloof de grote kracht.
Ik geloof omdat Jezus het ongelooflijke, bovenmenselijke heeft gedaan. Ik geloof dus dat hij, door zich zelf te offeren en door alle mensen, ook zijn vervolgers, te vergeven, het menselijke overtroffen heeft. Te boven is gegaan. Hij heeft ons van het menselijke, al te menselijke verlost, en verzoend met de verborgen Almachtige - ik zit niet meer vast aan de ene, mismoedige, altijd neerwaarts drukkende zekerheid: als dat ik in de grond onvergeeflijk ben. En drukt het me neer: ik mag begrijpen dat ikGod niet ben. Ik probeer.
Het offer heeft een gelovende van mij gemaakt; ik grijp de heiligheid, waarin Jezus is komen te baden, met beide handen aan. Wie zou ik zijn zonder hem? De almachtige, waar ik moeiteloos in kon geloven want hij was toch verborgen, is afgedaald om een keer mens te worden. Ook dat is nog fictie te noemen, een goed bedachte, mythische mogelijkheid. Totdat je beseft dat die mens op zijn beurt verder is afgedaald, steeds verder, tot onttakelens toe, om de zondebok te worden, de geringste, onaanzienlijkste, luisterlooste van alle mensen.
Het duizelt me als ik denk aan wat dit geloof van mij wil. Deze afdaling op afdaling is dus wat barmhartigheid is zodra die gelijk mij, gelijk ieder mens wordt. Je voelt aan je water dat deze vernietiging van de liefste geen vernietiging is - dat hij niet vernietigd kan worden. Hier vallen de wonderzinnen van de evangelisten op hun plaats - die waarin je moet sterven om geboren te worden, het leven derven om het te beŽrven, eraan moet gaan om te bestaan. Of, om met de dichter Willem de Merode te spreken: 'Wees dood, om aan Zijn wonde te genezen.'

Het zijn vreemde tijden om in een geloofsverklaring uit te barsten. Ik vrees dat het -desondanks nodiger is dan ooit. De wraak rijdt op zijn ijzeren voertuigen door de hemelen, haat explodeert in de apokalyptische kraters van de haters. Dit alles is begonnen met angst - met de paniek dat het waar is wat je van de ander denkt: dat hij de vijand is, en onverzoenlijk, want je weet hoe onvergeeflijk en mismoedig hij moet zijn, op de bodem van zijn ziel. Minstens zo onvergeeflijk en mismoedig als jijzelf.

Er is geen andere ontbinder van deze spiraal dan de liefde; ik heb van haar geen onnavolgbaarder vertolker leren kennen dan haar Zoon. Hij is wat ik er van begrijpen kan. Ik weet van geen andere weg dan die welke begint met mij richten tot Hem, en u laten weten dat ik dat probeer te doen.