Vrijheid van godsdienst en

Verbod op godsdienstige symbolen?

 

Om de huidige discussie over de godsdienstvrijheid beter te begrijpen kan het helpen om snel de revue te passeren aan de geschiedenis van de verhoudingen tussen de katholieke Kerk en de Politieke Gemeenschap. Daarna kunnen we ons concentreren op het specifieke vraagstuk van de godsdienstige symbolen.

Het christelijke dualisme is even oud als het evangelie. Jezus zelf zegt dat je aan de keizer moet geven wat hem toekomt en aan God wat God toekomt (Mt. 22,21; Mc. 12,17; Lc. 20,25). De apostelen Petrus en Paulus prediken de gehoorzaamheid aan de Keizer en sporen aan om goede burgers te zijn.

De eerste fase van de relatie tussen kerk en staat is die van vervolging. Het was geen vreedzame “co-existentie”.

Het “cesaropapisme” is de fase die begint wanneer Keizer Constantijn christen wordt. Hij beschermt voor het eerst de kerk en bekommert zich over het kerkelijke leven. Met beste bedoelingen zowel van de keizer als van de gelovigen maar de gevolgen zijn dat er geen goede mengeling komt tussen Kerk en Staat.

Paus Gelasius I, in het jaar 494, ontwerpt de theorie van de “societas perfecta” (volmaakte gemeenschap). Zowel de Kerk als de Staat zijn volmaakt in hun eigen orde en beschikken over de middelen die hun doel mogelijk maken. Omdat het eeuwig leven belangrijker is dan het tijdelijke is de Staat in zekere zin onderworpen aan de Kerk. Deze theorieën bepalen de middeleeuwse hiërocratie tot de komst van de Reformatie.

De christelijke denkers en humanisten van de Renaissance leggen de basis van de rechten van de mens.

De protestantse visie in de relatie tussen Kerk en Staat maakt de zaken niet eenvoudiger. De protestantse kerken kiezen de weg van het staatshoofd en de kerk stelt zich in dienst van de staat als bewaker van de samenleving.

Het “regalisme” of absolutisme van de katholieke koningen is een reactie op het ontstaan van protestantse vorstenhuizen.

 

Oorsprong van de moderne begrippen van vrijheid van godsdienst en het laïcisme

Het absolutisme van de koningen is moeilijk verenigbaar met de opkomende ideeën van de gelijkheid onder de mensen. De revoluties die plaats vinden in deze periode zijn van verschillende aard.

De belangrijkste gebeurtenissen voor het ontstaan van de democratie zoals we in onze tijd kennen zijn de revoluties in Noord Amerika en in Frankrijk. Beide hebben verschillende benadering van het religieuze gebeuren: in Amerika waren de stichters van de democratie niet geconfronteerd met bestaande kerkelijke instituties, ze voelden zich bewogen door een religieus ideaal en wilden een samenleving mogelijk maken onder christenen van allerlei denominaties en de intolerantie van het oude Europa overstijgen.

In Frankrijk echter wordt de revolutie gehouden tegen de instellingen van een absolute staat die tevens confessioneel katholiek was. Kerk en monarchie moeten het ontgelden. De nieuwe staatsvorm, de republiek wil neutraal zijn, niet godsdienstig, maar in de praktijk is er veel kerkvervolging omdat de nieuwe politici met het oude regime willen afrekenen. Gaande weg zullen de gemoederen tot bedaren komen en de regeringen worden in grote lijnen liberaaldenkend.

 

Leergezag van de kerk over scheiding van kerk en staat tijdens 19e eeuw

Het liberalisme met de zogenaamde neutrale staat wordt door het leergezag van de katholieke Kerk verworpen gedurende de negentiende eeuw. Aanvankelijk waren de liberalen veelal antikatholiek. De absolute scheiding tussen kerk en staat werd afgewezen als zijnde een afwijzing van de natuur wet. De houding van de paus is milder wanneer de houding van de staten milder is zoals bij voorbeeld de Grondwet van België in 1831 en met betrekking tot de scheiding van kerk en staat zoals die in Noord Amerika werd toegepast.

Leo XIII (1878-1903) ontwerpt een leer van de christelijke staat waarvan de voornaamste punten zijn:

a)    Het christelijke dualisme wordt opnieuw bevestigd. Kerk en Staat zijn onafhankelijk van elkaar.

b)    De Staat moet de rechten van de Kerk expliciet erkennen want de Staat heeft verplichtingen t.o.v. de religie van de burgers niet alleen als individuen maar ook als maatschappelijk gebeuren.

c)     Het relativisme of de onverschilligheid van de Staat t.o.v. de godsdienst wordt principieel verworpen maar de toepassing van het principe moet op prudente wijze worden toegepast. Deze soepelheid is door de critici ironisch beoordeeld als de sluwheid van de katholieken die meesters zouden zijn in water preken en wijn drinken: in wezen weinig principieel.

 

Confessionalisme en tolerantie

De liberale ideeën vinden in het Westen in de loop van de 19e eeuw ongenaakbare toegang en nemen zitting in de heersende cultuur. De mens waant zich als volkomen autonoom van God, want God – als Hij zou bestaan – bemoeit zich niet met deze wereld. De Staat wordt langzaam aan uitgeroepen tot agnostische scheidsrechter van de ideeën en voogd van het recht op godsdienstvrijheid. De verschillende confessies worden onderworpen aan de wet van de Staat.

In deze context ontstaat door toedoen van paus Leo XIII de systematische Sociale Leer van de Kerk. Het katholieke confessionalisme wordt aanvankelijk als ideaal gepresenteerd maar als dit ideaal niet haalbaar is wordt een ander systeem getolereerd mits er ruimte is voor de Kerk en haar gelovigen om de eigen zending te vervullen.

Het pontificaat van Pius X kiest wegens het antiklerikale klimaat de harde confrontatie met de staat in Frankrijk. Op andere plaatsten in de wereld is het minder onstuimig en tijdens ditzelfde pontificaat en dat van Benedictus XV zullen twee hoofdgedachten toegang vinden tot wat later de spil van het leergezag zal worden: de autonomie van de tijdelijke aangelegenheden en de persoonlijke vrijheid van de gelovigen om in het openbaar te handelen zonder daarbij de Kerk te vertegenwoordigen.

Na de Eerste Wereld Oorlog beleven we de bloeiperiode van de concordaten: internationale verdragen tussen Kerk en Staat. De erkenning van de juridische persoonlijkheid van de Kerk als internationale instelling door de modernere staten is een feit.

 

Marxisme, Nazisme en Fascisme

De verschillen onder de totalitaire regimes zijn groot maar ze vertonen ook gemeenschappelijke trekken. Totalitaire systemen hebben als kenmerk een sterke staat en dat het individu volledig onderworpen is aan het staatsbelang. Ze creëren daarbij een eigen religie.

De pausen, Pius XI en Pius XII reageerden in hun leergezag stellig tegen het fascisme, tegen het communisme. Helaas, -hoewel dit een gevoelig omstreden punt is-, minder duidelijk tegen het nationaal socialisme.

 

Kerk en Staat in het huidige leergezag van de Kerk

Na de Tweede Wereld Oorlog komt er een tegenreactie van de internationale gemeenschap ter bevordering van de mensenrechten. Op 10 december 1948 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aangenomen. De verklaring beweegt zich op een louter natuurlijk menselijk vlak en toch wordt de godsdienstvrijheid als eerste genoemd samen met de gewetensvrijheid en de vrijheid van meningsuiting.

De leer van de Kerk reikt verder dan de documenten van de Verenigde Naties. Deze wordt door paus Johannes XXIII verwoordt in zijn encycliek Pacem in Terris. Het Tweede Vaticaanse Concilie behandelt deze thematiek vooral in de declaratie Dignitatis Humanae en in de constituties Lumen Gentium en Gaudium et Spes.

Als ik deze teksten doorneem kom ik tot de volgende samenvatting van de fundamentele beginselen van het leergezag voor de juridische benadering van de betrekkingen van de Kerk met de politieke gemeenschappen:

a)    De kerk herbevestigt haar traditioneel dualisme waarbij zij zelf en de staat beschouwd worden als onafhankelijk en zelfstandige gemeenschappen.

b)    Deze autonomie steunt op de verschillende aard van de instellingen: de kerk behoort tot de bovennatuurlijke orde en heeft als doel het eeuwige heil van de mensen, terwijl de politieke gemeenschap het tijdelijke welzijn van de burgers nastreeft.

c)     Hoewel ze anders zijn en onafhankelijk, kunnen ze niet doen alsof de ander niet bestaat. We hebben allen een oorsprong in God en beide gemeenschapen werken ten gunste van dezelfde mensen die daar deel van uitmaken.

d)    De hiërarchie van de Kerk heeft de taak om, met het licht van de openbaring, de wil van God zowel over de bovennatuurlijke orde als over de natuur te onderwijzen. Ze heeft een bijzondere macht ten opzichte van haar gelovigen in bovennatuurlijke zaken. Met betrekking tot de natuurlijke orde geeft ze de principes aan en geeft een moreel oordeel. Het is niet haar taak politieke keuzes te maken in de praktische oplossing van problemen.

e)    De gemeenschappelijke missie ten dienste van de mens die de Kerk samen met de Staat moet vervullen brengt haar ertoe te beweren dat er een juridische relatie is tussen beide. Deze kunnen geformaliseerd worden d.m.v. verdragen of concordaten, die tegelijkertijd bronnen zijn zowel van het kerkelijke recht als van het staatsrecht.

 

Het Tweede Vaticaanse Concilie heeft de Verklaring Dignitatis Humanae volledig besteed aan het recht van godsdienstvrijheid. In eerste instantie behandelt het document de persoonlijke vrijheid om daarna over te gaan tot de publieke beleving van de godsdienst als kerkgemeenschap.

 

“De menselijke persoon heeft recht op godsdienstvrijheid. (...) Deze vrijheid bestaat hierin, dat alle mensen vrij moeten zijn van dwang, of die nu door enkelingen, door sociale groepen, of door enige menselijke macht wordt uitgeoefend, en wel zo, dat in godsdienstige aangelegenheden niemand wordt gedwongen te handelen tegen zijn geweten in, noch wordt belemmerd om, binnen passende grenzen, privé of publiek, alleen of samen met anderen volgens zijn geweten te handelen. (...) De godsdienstvrijheid wortelt in de eigen waardigheid van de menselijke persoon, zoals die en door het geopenbaarde woord van God en door de rede wordt gekend. Dit recht van de menselijke persoon op godsdienstvrijheid moet in de juridische ordening van de maatschappij zo worden erkend, dat het burgerrecht gaat worden.”[1]

 

Wat betreft de individuen is dit recht eigen aan ieder mens of die christen is of niet. Er mag op dit gebied geen discriminatie toegepast worden.[2]

 

Met betrekking tot de Kerk als instelling, is “... het voornaamste, dat de Kerk in haar handelen zoveel vrijheid geniet als haar heilstaak onder de mensen vereist. (...) De vrijheid van de Kerk is het grondbeginsel in de betrekkingen van de Kerk met de burgerlijke machten en met heel de burgerlijke orde”.

 

Dit is meer dan mooie woorden. “Alleen wanneer een statuut van de godsdienstvrijheid bestaat dat niet alleen is afgekondigd in woorden of enkel vastgelegd in wetten, maar daadwerkelijk en oprecht wordt nageleefd, zal de Kerk daarom, rechtens en feitelijk, de blijvende voorwaarde verwerven voor die noodzakelijke onafhankelijkheid in de uitoefening van haar goddelijke zending waarop de kerkelijke gezagdragers in de maatschappij met steeds meer aandrang aanspraak hebben gemaakt. En dan genieten tevens de christenen, evenals de andere mensen, het recht om als burgers onbelemmerd te leven volgens hun geweten. Er is dus overeenstemming tussen de vrijheid van de Kerk en die godsdienstvrijheid die voor alle mensen en voor alle gemeenschappen erkend moet worden als een recht en wettelijk moet worden vastgelegd in de juridische orde”.[3]

In de praktijk zal dit in grote mate afhangen van de bekwaamheid van de gelovigen die deelnemen aan het politieke leven. Het concilie spoort de christenen, burgers van beide gemeenschappen, aan om zich toe te leggen op een getrouwe vervulling van hun aardse plicht, en wel geleid door de geest van het evangelie. (n. 43 GS). Geen enkele gelovige heeft de kerkleer in pacht. Denken we aan thema’s zoals de EU Grondwet, de positie van de gelovigen ten aanzien van de oorlog in Irak (verschillende landen, verschillende opties, onder rooms-katholieke burgers). Het komt wel eens voor dat kerkelijke leiders te ver gegaan in hun veroordelingen en wellicht weinig onderscheid gemaakt hebben tussen het morele oordeel en de politieke beslissingen die per slot van rekening aan de burgers wordt overgelaten.

 

Er is een legitiem pluralisme onder de gelovige katholieken op sociaal en politiek gebied dat erkend moet worden. Dit is nu een fundamenteel recht van de gelovigen opgenomen in het Wetboek van Canoniek Recht (C. 227) waarbij wij op twee punten moeten letten: dat de lekengelovigen proberen te handelen in de geest van het evangelie en dat ze zich ervoor hoeden bij open kwesties hun eigen mening als de leer van de Kerk voor te stellen.

 

Tot zover over de vrijheid van godsdienst. Nu de godsdienstige symbolen.

 

Wat is een symbool?. Een symbool is een beeld of een ander soort teken met een betekenis en verwijst naar iets anders. Als je de betekenis van het symbool niet kent zie je alleen maar het beeld maar zegt dat jou verder niets. Er zijn veel soorten symbolen. Het meest opvallende voor ons is de gebarentaal voor doofstommen. Er zijn ook godsdienstige symbolen die verwijzen naar het geloof van de persoon die ze gebruikt.

 

Er is recentelijk veel gesproken over de aanwezigheid van religieuze symbolen op openbare scholen. Het besluit van de Franse regering om kalotjes, hoofddoeken en kruizen in openbare diensten en gebouwen te verwijderen of verbieden is met gemengde gevoelens omarmd. Zestig procent van de bevolking is het in Frankrijk eens met het aangekondigde verbod. Maar het is vreemd dat een maatschappij die zich pluralistisch en open beschouwt en waar de intolerantie doodzonde is, toch intolerant wordt in kledingvoorschriften en bijversieringen op grond van het dogma van het laïcisme van de staat!

 

De laiciteit van de staat is een goed instrument voor de scheiding tussen kerk en staat maar niet wanneer het verstaan wordt als antigodsdienstig. Iedereen is het ermee eens dat het religieuze gevoel van de individuen moet worden gerespecteerd; het probleem ligt echter op het beleven van het “religieuze feit” in de openbaarheid.

 

In de houding die leidt tot het verbieden van godsdienstige symbolen zoals kruizen, kalotjes of hoofddoeken leeft een godsdienstbegrip dat slechts uiterlijk en oppervlakkig is. Het begrip godsdienst dat president Chirac of minister president Verhofstadt voor ogen hebben is heel anders dan dat van paus Johannes Paulus II. De godsdiensten dienen volgens de paus de solidariteit onder alle mensen te bevorderen.

 

De opvoeding tot een vreedzame samenleving is geen kwestie van uiterlijke tekens zoals hoedjes, hoofddoeken of stukken hout in de vorm van een kruis maar van duidelijke ideeën en gevoelens van oprechte welwillendheid jegens anderen. Wanneer het kind op school de religieuze symbolen van de andere godsdiensten ziet en respectvol omgaat met alle andere leerlingen zal hij dat respect de rest van zijn leven uitdragen. Je zou veel beter de godsdienstigheid van de burgers kunnen beoordelen aan het vermogen om vreedzaam met elkaar samen te leven. De voorstanders van het laïcisme beweren neutraal te willen zijn maar de vraag is of dit verbod op symbolen niet antigodsdienstig is.

 

Opzienbarende religieuze symbolen zouden – in Frankrijk – verboden gaan worden voor joden, moslims en christenen omdat ze politiek incorrect zouden zijn. Maar symbolen van andere religieuze groeperingen niet? Waar zal de grens komen te liggen? En als je een hoofddoek verbiedt of de toog van een imam waarom zou je de priesterkleding of een religieus habijt toelaten? Je zou, nogmaals, het beste de godsdienstvrijheid kunnen afrekenen op haar prestaties van vreedzaam samenleven. Geweld gebruiken tegen mensen die anders denken dan jezelf mag in geen geval voor wie dan ook. Ook moslimmeisjes die geen hoofddoek willen dragen moeten dat kunnen doen zonder lastig gevallen te worden. Bekering van het ene geloof naar het andere mag slechts op zuivere overtuiging en moet door anderen gerespecteerd worden.

 

Andere symbolen zoals kledingmerken zouden ongestraft blijven omdat ze niet religieus zouden zijn: Nike, Reebok, Adidas, etc. Nike was toevallig een Griekse godin die bekend stond omdat ze winnende schoenen droeg en niemand heeft tot nu toe hier moeite mee gehad. Stel dat iemand een religieuze sekte zou beginnen om deze godin te vereren... en dat later alle Nike schoenen en T-shirts uitgebannen zouden worden. Is dat niet belachelijk?

 

De Franse en Belgische besluiten tot verbod van hoofddoeken en andere opzienbarende godsdienstige symbolen laten ons volgens mij zien dat de volksvertegenwoordigers de diepere rol van de godsdienst niet begrijpen. Ze hebben in de bovengenoemde voorbeelden gekozen voor de uiterlijke beperking van religieuze overtuigingen bij een tamelijk arbitraire lijn. Als je intentie is om “cool” te zijn bij het dragen van een hoofddoek is dat prima, als het om godsdienst gaat dan beledig je het laïcisme van de Staat en dat zou niet mogen. Wie kan de intenties van de mensen meten?

 

Het dragen van een hoofddoek of van een kalotje is tegelijkertijd een symbool van behoren tot een groep en ook een teken van nederigheid voor God. Het kruisbeeld is het symbool van het grenzeloze van Gods liefde die zijn Zoon overlevert tot de dood aan een kruis om de mens van de zonde te verlossen. Het verbod van deze symbolen kan men noemen is een gevolg van de verwarring waarin onze huidige leidende klasse terecht is gekomen.

 

Mensen dwingen om de Davidsster te dragen was het begin van de holocaust. De christenen begonnen een vis als symbool voor hun geloof te gebruiken wanneer het dragen van een kruis te gevaarlijk werd. Tijdens de Spaanse burgeroorlog sneuvelden vele godsdienstige monumenten en 8.000 priesters en religieuzen omdat zij godsdienstig waren. In Auswitch - Polen - ontstond in 1990 een rel over een groot kruis op het terrein van de vernietigingskampen. Het kruis, dat als eerherstel voor alle slachtoffers was geplaatst werd verwijderd omdat ‘de Joden’ dat beledigend vonden. Sommigen wilden zelfs kruizen op de top van de kerken in de omtrek laten verwijderen maar dat is niet doorgegaan. Waar stop je de drang om religieuze symbolen te verwijderen?

 

Het verbieden van religieuze symbolen onder het voorwendsel van de scheiding van kerk en staat is een vergissing die schuil gaat achter twee gevaarlijke hoofddeksels: de onwetendheid en de valse neutraliteit[4].

 

Rafael Ojeda

15-1-04



[1] Tweede Vaticaanse Concilie, Verklaring Dignitatis Humanae, n. 2

[2] Tweede Vaticaanse Concilie, Verklaring Dignitatis Humanae n. 6

[3] Tweede Vaticaanse Concilie, Verklaring Dignitatis Humanae n. 13

[4] Ian T. Benson. “Secularism and the deeper questions of religion and society”, December 2003.