Home

 

Massimo Introvigne

 

Een «Code» om in de vuilnisbak te gooien

 

 

Laten we ons het volgende scenario voorstellen. Een roman wordt gepubliceerd, waarin wordt verteld dat Boeddha, na de Verlichting te hebben ontvangen, helemaal niet de aan hem toegedichte seksuele onthouding beleefd heeft, maar vrouw en kinderen heeft gehad. Dat de boeddhisten, na zijn dood, de rechten van zijn vrouw – die zijn erfgename had moeten zijn – schonden. Dat de boeddhisten in de loop der geschiedenis duizenden, zelfs miljoenen mensen vermoordden, om deze waarheid te verbergen. Dat een niet zo lang geleden gestorven boeddhistische heilige – Daisetz Teitaro Suzuki (1870-1966), om een voorbeeld te noemen – in werkelijkheid het hoofd van een criminele organisatie was. Dat de Dalai Lama en andere hoogwaardigheidsbekleders van het boeddhisme wereldwijd erop uit zijn, de leugens omtrent Boeddha door elke middel, moord inbegrepen, in stand te houden. Na publicatie trekt de roman de nodige aandacht. Autoriteiten van alle godsdiensten klagen hem aan als een afschuwelijke antiboeddhistische mystificatie, als een aansporing tot confrontatie tussen godsdiensten. In verschillende landen wordt de publicatie verboden, met eenstemmig goedvinden van de media. Filmproducenten aan wie het verhaal voor verfilming voorgelegd is, trappen de auteur eruit en beschouwen het hele project als een onsmakelijke grap.

Dit scenario bestaat niet, een vergelijkbaar scenario echter wél. Het gaat alleen niet om Boeddha, maar om Jezus Christus; niet om de boeddhistische gemeenschap, maar om de Katholieke Kerk; niet om Suzuki en zijn Zen-orde, maar om de heilige Jozefmaria Escrivá (1902-1975) en het door hem gestichte Opus Dei; niet om de Dalai Lama, maar om Johannes Paulus II. Van de bewuste roman zijn in de VS drieënhalf miljoen exemplaren verkocht en hij is in vele talen vertaald. Sony maakt er een film van, onder regie van Ron Howard, waarvoor de internationale propaganda al begonnen is.

Zoals de Amerikaanse historicus en socioloog Philip Jenkins terecht opmerkte, is het succes van dit zeer ondermaatse product het zoveelste bewijs dat het antikatholicisme «het laatst overgebleven aanvaardbare vooroordeel» is. (De titel van zijn boek luidt dan ook: The New Anti-Catholicism. The Last Acceptable Prejudice, Oxford University Press, New York 2003).

 

 

Zwarte legendes

 

De Da Vinci code brengt een zoektocht naar de Heilige Graal ten tonele. Anders dan de overlevering wil, zou deze volgens de roman niet een beker zijn waarin het bloed van Christus opgevangen werd, maar een mens. Namelijk Maria Magdalena, de echte «beker» die het sang réal (in oud-Frans het «koninklijk bloed», waaruit «Heilige Graal») ontvangen zou hebben. Dat wil zeggen de kinderen, die Jezus Christus haar geschonken had. Het vermiste graf van Magdalena is dus de echte Heilige Graal. We leren bovendien dat Jezus Christus niet aan de heilige Petrus, maar aan zijn vrouw, Maria Magdalena, zijn Kerk toevertrouwd zou hebben. Een Kerk, die de suprematie van het vrouwelijke beginsel had moeten aankondigen. En dat Jezus Christus nooit de pretentie zou hebben gehad, God te zijn. Keizer Constantijn (280-337 na Christus) zou een nieuw christendom hebben verzonnen. Hij zou daar het vrouwelijke element uit hebben verwijderd en er de leer aan toe hebben gevoegd, dat Jezus Christus God was. Als bekrachtiging van zijn patriarchale, autoritaire, antifeministische ideeën zou hij het Concilie van Nicea bijeen hebben geroepen. Voorwaarde voor de uitvoering van zijn project was, dat de waarheid over Jezus Christus en zijn huwelijk doodgezwegen werd en dat Jezus’ afstammelingen om het leven gebracht werden.

Het eerste doel is bereikt door vier «onschadelijke» evangeliën te kiezen uit de tientallen die toen bestonden, en de overige «gnostische» evangeliën – waarvan sommige de lezer op het spoor van het huwelijk tussen Jezus en Magdalena hadden kunnen zetten – «ketters» te verklaren. Het tweede doel konden Constantijn en de Katholieke Kerk echter niet bereiken. De afstammelingen van Jezus overleefden immers dat plan en konden zelfs, eeuwen later, de troon van Frankrijk onder de naam “Merovingers” bestijgen. Het lukt de Kerk wel een groot aantal Merovingers door hun opvolgers, de Karolingers, te laten vermoorden. Maar dan ontstaat een geheimzinnige organisatie, de Priorij van Sion, met het doel de afstammelingen van Jezus en diens geheim te beschermen. Met de Priorij zijn eerst de Tempeliers verbonden (vandaar dat ze vervolgd werden) en later de Vrijmetselarij. Vele van de grootste letterkundigen en kunstenaars die de geschiedenis heeft gekend waren Grote Meesters van de Priorij van Sion. Sommige – waaronder Leonardo da Vinci (1452-1519) – hebben sporen van het geheim in hun werken achtergelaten. Intussen voltooit de Katholieke Kerk de uitroeiing van de overheersing van het vrouwelijk beginsel door op heksen te jagen, waarbij vijf miljoen vrouwen om het leven worden gebracht. Alles tevergeefs: de Priorij van Sion overleeft, evenals de afstammelingen van Jezus in families overleven. Zij dragen de achternamen Plantard en Saint Clair. Dan Brown stelt dat alles wat we tot zover samengevat hebben, de werkelijkheid weerspiegelt en op onbetwistbaar bewijsmateriaal gebaseerd is. De schrijver beweert echter zelf dat zijn veronderstelling dat de Priorij onlangs op het punt zou hebben gestaan, het geheim aan de hele wereld middels zijn laatste Grootmeester te openbaren, pure fictie is. Het zou gaan om ene Jacques Saunière, conservator van het Musée du Louvre. Om deze openbaarmaking te voorkomen worden Saunière en zijn voornaamste medewerkers vermoord. Verdachte is een Amerikaanse symboloog, Robert Langdon. Een voor de Parijse politie werkzame cryptologeSophie Neveu, kleindochter van Saunière – gelooft echter dat Langdon onschuldig is. Zij helpt hem te ontsnappen. De lezer wordt gesuggereerd dat het Opus Dei (een instelling waarover de afschuwelijkste, steeds gelogenstrafte «zwarte legendes» steeds weer in de media de kop opsteken) achter die moorden staat. De werkelijkheid blijkt ingewikkelder.

Een nieuwe, progressieve Paus heeft besloten de banden tussen de Kerk en het Opus Dei, die ten tijde van Johannes Paulus II waren ontstaan, te verbreken. De prelaat van het Opus Dei aanvaardt dan het voorstel van een geheimzinnige «Meester». Door aan deze persoon een enorme geldsom te betalen zal de prelaat het bewijs van het geheim van de Priorij van Sion kunnen bemachtigen. Dat wil zeggen: de «waarheid» omtrent Jezus Christus. Door te dreigen dit geheim aan de hele wereld te openbaren zal het Opus Dei dan het Vatikaan kunnen chanteren.

Een voormalige crimineel, thans numerairlid van het Opus Dei, wordt aan de Meester «uitgeleend». Deze zet hem aan tot een aantal misdaden. De «Meester» is eigenlijk iemand die voor zichzelf werkt. Een zeer rijke Engelse antikatholieke geleerde, die het geheim aan de wereld wil openbaren. Hij verwijt de Priorij, dat ze zwijgt uit angst voor de Kerk. In een wirwar van moorden, raadselachtige situaties en achtervolgingen komen Robert Langdon en Sophie – die, zoals onvermijdelijk, op elkaar verliefd zijn geraakt – tot de ontdekking van de waarheid. Zo ligt het graf van de Magdalena verborgen in de nabijheid van het Louvre, onder de piramide die gebouwd is in opdracht van de Franse president François Mitterrand (1916-1996), esoterische vrijmetselaar. Het sang réal vloeit echter in de aderen van Sophie zelf, die dus Jezus Christus’ laatste afstammeling is.

 

Onwetendheid

 

Alleen de algemene onwetendheid onder het publiek omtrent godsdienstige zaken kan verklaren dat een dergelijke opstapeling van – op zijn zachtst gezegd – belachelijke beweringen serieus kan worden genomen. Er zijn teksten uit de eerste eeuw van ons tijdperk, waarin Jezus Christus duidelijk als God wordt erkend. Ten tijde van de Canon van Muratori (een lijst van de erkende bijbelboeken uit 190 na Christus) was de erkenning van de vier Evangeliën, met uitsluiting van de gnostische teksten, een zo goed als voldongen feit. Dit was negentig jaar voor Constantijns geboorte. Het aantal van vijf miljoen door de Katholieke Kerk verbrande heksen is volstrekt absurd. Brown vergeet, dat de heksenjacht in protestantse landen langer en gewelddadiger is geweest dan in katholieke landen.

Het idee zelf dat een «Da Vinci code» onder de werken van de Italiaanse artiest zou schuilen is door Judith Veronica Field, hoogleraar aan de University of London en voorzitster van de Leonardo Da Vinci Society (vgl. onder de talrijke verwijzingen, Gary Stern «Expert Dismiss Theories in Popular Book», The Journal News, 2.11.2003) als «absurd» bestempeld. Wie verder een beetje bekend is met de talloze mystificaties die rond de Graal draaien, weet dat de Da Vinci Code maar weinig nieuws bevat. Alles is reeds in honderden boeken over Rennes le- Château verteld en – ook al komt de naam van dit Franse dorp nooit in Browns roman voor –de achternamen Saunière en Plantard verwijzen duidelijk naar hetzelfde verhalencomplex.

Rennes-le- Château is een dorpje in het Franse Aude-departement, aan de voeten van de westerse Pyreneeën, in de regio die “Razès” genoemd wordt. De bevolking is tot een veertigtal inwoners ingekrompen, maar er komen ieder jaar tienduizenden toeristen. Vanaf 1960 tot heden wordt Rennes-le- Château in meer dan vijfhonderd Franstalige boeken behandeld, in tenminste een tweetal Engelse best sellers en in een aantal Italiaanse boeken. Het dorp komt ook in films voor, en in populaire stripverhalen, zoals Preacher of The Magdalena. Het dorpje ligt in het midden van het «Katharenland», het gebied, waar ooit de katharenketterij tot de 13de eeuw overheerst heeft. Doeltreffende promotiecampagnes hebben van het dorpje een van de meest populaire bestemmingen van het toerisme in Frankrijk gemaakt. Rennes-le- Château zou echter niets meer zijn gebleven dan een stipje in het huidige, weelderige «katharentoerisme» indien het dorp niet in 1885 de parochie was geworden van pastoor don Berenger Saunière (1852-1917). Alle legendes die over Rennes-le- Château gaan zijn op hem toegespitst.

Pastoor Saunière was vooral een merkwaardig personage. In 1909 weigert hij naar een andere parochie te verhuizen. In 1910 wordt hij, na door een kerkelijke rechtbank veroordeeld te zijn, uit het ambt geschorst. Verstoken van zijn parochie blijft hij niettemin in het dorp, dat hij met nieuwe gebouwen had verrijkt – waaronder een vreemde «toren van Magdala». Hij had er ergernis gewekt met een aantal opgravingen in de crypte en in het kerkhof, waarvan niemand weet wat hij zocht.

Hij werd rijker dan voor een dorppastoor gebruikelijk is; vandaar het verhaal dat hij een schat gevonden had. Zijn rijkdom was echter makkelijk te verklaren – zoals zijn bisschop vermoedde – aan de hand van een dubieuze handel in schenkingen en misintenties. In recentere tijden werd gesteld dat Saunière in de crypte zeer belangrijke oude manuscripten had ontdekt, maar wat aan het licht kwam zijn duidelijke vervalsingen uit de 19de zo niet 20ste eeuw.

Het is mogelijk dat de herstelwerkzaamheden die in opdracht van don Saunière aan de kerk zijn uitgevoerd, de ene of andere middeleeuwse vondst aan het licht hebben gebracht, maar zeker niet in zodanige hoeveelheid dat hij er rijk van kon worden. Er wordt nog steeds herhaald – maar het is nooit voldoende bewezen – dat Saunière in contact zou zijn geweest met esoterische groepen uit Parijs. Een rare figuur, die Saunière, maar enigszins een boeiende. Zijn bouwwerkzaamheden tonen aan, dat hij – misschien door een hang naar het esoterische gedreven – bijzondere aandacht schonk aan allegorieën en symbolen, in het kielzog van plaatselijke tradities. Meer is niet bewezen.

 

Antichristelijke verzinselen

 

De Saunière-legende zou niet lang na zijn dood voortgeleefd hebben, als zijn huishoudster, Marie Denarnaud (1868-1953) niet jarenlang door zou zijn gegaan met het afsteken van verhalen over verborgen schatten. De pastoor had op haar naam de eigendommen en de gebouwen van Rennes-le- Château gesteld. De huishoudster vertelde haar verhalen, mede om mogelijke kopers te motiveren. De legende werd verder in stand gehouden door Noel Corbu (1912-1968), een man die de eigendommen van de vroegere pastoor van Denarnaud kocht, om er een restaurant van te maken. Corbu begon in 1956 artikelen in de plaatselijke pers te publiceren, waarin hij, mede door de nobele wens gedreven om toeristen naar een afgelegen dorpje aan te trekken, een verband legde tussen de beweerdelijke «miljarden» van don Saunière en de schatten van de Katharen.

In de jaren 1960 krijgen de door Corbu op plaatselijk niveau verspreide legendes nationale bekendheid, nadat ze de aandacht hebben getrokken van enkele esoteristen – waaronder Pierre Plantard (1920-2000), die voorheen de Alpha Galates groep had geleid – en van enkele journalisten, die in de esoterische geheimen geïnteresseerd waren, zoals Gérard de Sède, die in 1967 L'or de Rennes publiceerde. Drie Engelse schrijvers van esoterische volksliteratuur – Michael Baigent, Richard Leigh en Henry Lincoln – zullen zijn ideeën verder bewerken, en daar een echt bedrijf van maken (dit met de hulp van de BBC, die daar brood in ziet) te beginnen met de publicatie, in 1979, van De Heilige Graal. Volgens de Sède, en de Engelsen die zijn werk hebben voortgezet, had de pastoor het geheim van Rennes-le- Château ontdekt, en wel een tweeledig geheim. Niet alleen een fabelachtige, stoffelijke schat zou er eeuwenlang verborgen zijn gebleven – waarvan de oorspronkelijke eigendom nu aan de Tempel van Jeruzalem, dan aan de Westgoten, aan de Katharen, aan de Tempeliers, aan de Franse monarchie toegeschreven wordt. Deze schat, zou de pastoor alleen in geringe mate aangesproken hebben. Er werd ook een niet-stoffelijke schat ontdekt. Deze wordt geopenbaard via de door don Saunière ontdekte perkamenten, door de grafschriften, door de vormgeving van de gebouwen, en door alles wat in de parochiekerk te vinden valt. Die schat is de waarheid omtrent de wereldgeschiedenis zelf.

In het Pyrenese dorp zouden de documenten te vinden zijn, die kunnen staven wat de Katholieke Kerk zorgvuldig geheim heeft gehouden, namelijk dat Jezus Christus van Maria Magdalena kinderen had gekregen, dat deze kinderen in zich het eigen bloed van God dragen, en dat ze om die reden het recht hebben, over Frankrijk en over de hele wereld te heersen. Dat de Heilige Graal eigenlijk het sang réal, het «koninklijk bloed» van Jezus Christus’ afstammelingen is, wordt beweerd vanaf het tijdstip waarop Plantard zijn intrede maakt in de geschiedenis van Rennes-le- Château.

De Da Vinci Code doet niets anders dan deze beweringen herhalen. Uit voorzichtigheid – beweert Plantard – werd het feit dat de Merovingers van Jezus Christus afstammen altijd geheim gehouden, en weinig mensen werden ervan op de hoogte gebracht. Maar de Katharen, de Tempeliers, de Grote Ingewijden – waaronder Saunière zelf en de schilder Nicolas Poussin (1594-1655), die er een spoor zou hebben achtergelaten in het schilderij Herders van Arcadia, die in het Louvre hangt, waarin juist een uitzicht op Rennes-le- Château afgebeeld is – hebben het geheim als iets ontzettend kostbaars bewaard. Daarvan is in hun werk slechts af een toe een spoor achtergelaten.

Uiteraard bestaat tegenwoordig een Priorij van Sion wel. Die is in 1972 door Pierre Plantard bij notariële akte opgericht. Plantard laat zich ook «Plantard de Saint Clair» noemen, een verzonnen adellijke titel, die aan de wieg staat van de beweringen, in de Da Vinci Code bevat, dat ook «Saint Clair» een «Merovingische» achternaam zou zijn. Plantard heeft gesuggereerd, dat hijzelf een afstammeling van de Merovingers en de bewaker van de Graal zou zijn. Het bewijs dat de Priorij al duizend jaar bestaat zou zijn gevormd door een kleine, middeleeuwse monnikenorde, Priorij van Sion genoemd.

Deze orde heeft inderdaad ooit bestaan (en is al lang opgeheven), maar ze heeft niets met de Merovingers noch met de beweerdelijke afstammelingen van Jezus Christus te maken.

Men kan nauwelijks anders concluderen, dan dat de band tussen Rennes-le- Château, de Merovingers en de Priorij van Sion zuiver legendarisch is, en dat de Priorij een esoterische organisatie is, waarvan de oorsprong niet verder teruggaat dan de belevenissen van Plantard en zijn medewerkers. Nooit heeft een Priorij van Sion (in de zin zoals er tegenwoordig van wordt gesproken) bestaan, voordat Plantard in Rennes-le- Château aankwam. Nu bestaat ze wel, maar slechts sinds 1972. Op de eerste pagina van de Da Vinci Code wordt beweerd, dat het hele verhaal onomstotelijk door documenten onderbouwd is, die in 1975 in de Nationale Bibliotheek van Parijs ontdekt zijn. Die documenten zijn echter door dezelfde mensen «herontdekt» die ze in de Nationale Bibliotheek van Parijs verborgen hadden: Plantard en zijn vrienden. Het is absoluut zeker, dat het niet om antieke documenten gaat, maar om moderne vervalsingen. Geen «bewijsmateriaal», dus. Slechts antichristelijke verzinselen, die kunnen dienen om slechte romans te verkopen, maar die naar historisch oogpunt als echt vuilnis beschouwd verdienen te worden.

 

Massimo Introvigne

Deskundige op het gebied van nieuwe godsdiensten en sektes

verbonden met het Cesnur  (Center for Studies on New Religions www.cesnur.org)

 

(Vertaling: Umberto Barelli & Christiaan de Kiefte)