Prof. Dr. Alexander Llano,

filosoof  verbonden aan de Universiteit van Navarra, Spanje 

Sleutel voor de opvoeding van de jeugd

Steeds vaker constateren we dat er in onze samenleving bij veel individuen en groeperingen een gebrek aan integratie in de maatschappij te herkennen valt. Naast een zekere genoegzaamheid over de vrijheid en de economische welvaart die velen van ons genieten zien we verschijnselen van marginalisatie, drugsverslaving, daklozen, (zinloos) geweld, opstand en zelfs terrorisme. Bij veel mensen ontstaat een toenemend gevoel dat er “iets mis is” met onze samenleving en dat is op een speciaal opvallende wijze terug te herkennen in de opvoeding van de kinderen.

De ‘jeugdjaren’ vormen een tijd van ongecoördineerde opborrelende gevoelens. Het is een beslissende periode in de vorming van de persoonlijkheid. Tijdens deze periode ontstaan de idealen die de toekomst van een mens bepalen. Een geslaagd leven bestaat vaak uit een jeugdideaal dat verwezenlijkt wordt in de volwassenheid.

In de ontwikkelingspsychologie wordt het ‘ontwaken van het ik’, dus van het gedifferentieerde zelfbewustzijn, beschouwd als één van de meest karakteristieke verschijnselen. Tegelijkertijd is men van mening dat de normale ontwikkeling van het eigen bewustzijn resulteert in de ontdekking van de zelfreflectie dat leidt tot het inzicht dat anderen ook “ik” kunnen zeggen en dat je samen een bredere omgeving vormt die verder reikt dan het gezin of de school: een omgeving die je “sociaal” kunt noemen. In meer strikte betekenis gaat het hier om de ontwikkeling van maatschappelijk bewustzijn en burgerzin.

In feite is een brede integratie op maatschappelijk gebied op een nieuwe en verrassende wijze ingewikkelder geworden sinds het einde van de zestiger jaren. Het bewustzijn van het individu is overgroeid en daardoor onevenwichtig geworden.  De Spaanse cultuurfilosoof Alexander Llano beweert dat dit van toepassing is voor een hele generatie die we daarom de “ik generatie” zijn gaan noemen (“the me-generation”).

Men acht het tegenwoordig onverstandig om jongeren in hun onrijpheid beslissingen te laten nemen van sociaal, cultureel of religieus karakter die hun verdere toekomst zullen bepalen. Maar jongeren worden niet onrijp geacht wanneer het gaat om minder deugdzame activiteiten zoals die in onze huidige samenleving in overvloed op een presenteerblaadje worden aangeboden als je maar over voldoende geld kunt beschikken.

De vorming van burgerzin is nauw verbonden met de verwerving van morele en intellectuele deugden als sterkte, voorzichtigheid, wijsheid, zelfbeheersing, kunstzinnigheid en rechtvaardigheid. Deze deugden vormen het karakter en kunnen niet ontwikkeld worden door louter theoretisch onderricht. De Griekse filosofen beweerden dat je deugden alleen maar zèlf aan kunt leren. Dit zou dus betekenen dat de hoofdrol in de opvoeding niet door de ouders wordt gespeeld,  maar door het kind zelf.

Houden we echt van de jongeren?

Het is noodzakelijk dat we de jongeren serieus nemen. De jeugd wordt tegenwoordig echter weliswaar gevleid, geïmiteerd, verleid en getolereerd, maar er wordt eigenlijk nauwelijks iets van hen geëist. En daardoor worden ze niet geholpen, want ze leren zo geen verantwoordelijkheid. Dat komt omdat men in wezen niet echt van de jongeren houdt want men neemt geen tijd meer voor hen. En dit is wat de  jongeren voelen en hoewel ze het niet kunnen formuleren, reageren ze hierop door in opstand te komen.

De normale liefde van ouders en andere opvoeders voor jongeren is vervangen door een overvloed aan emoties en sentimentaliteit, die soms tot uitdrukking komt in haast komisch aandoende liefdesuitingen zoals je bijvoorbeeld wel ziet wanneer kinderen naar school worden gebracht. Het afscheid nemen op het schoolplein lijkt soms wel op het afscheid van soldaten die naar het oorlogsgebied vertrekken, in onzekerheid of ze ooit nog levend thuis zullen komen. Het gezin is echter iets serieuzers dan alleen die lading sentimentalisme die haar overspoelt. Het gezin is een leerschool voor het persoonlijke en sociale leven, waarin in iedere leeftijdsfase aan de andere leeftijden wordt geleerd. De adolescenten leren zowel van de jongere kinderen als van de volwassenen. De ouderen leren van allen en kunnen ook hun eigen levenservaring delen wanneer ze tenminste niet weggestopt worden in bejaardentehuizen. Vandaar dat kinderrijke gezinnen zo interessant en vormend kunnen zijn, aangezien allen van allen continu leren over de essentiële kwesties in de wereld en de samenleving.

Sommigen kennen het geluk van de opvoeding in een groot gezin en hoe je hierin spontaan leert  rekening te houden met de anderen. Jij bent zelf één schakel in een groter geheel en kunt nooit zèlf alles bepalen.

De christelijke visie is afgedaan

De christelijke visie op het leven stelt de liefde tot de ander in het middelpunt. Er is een solidariteit met allen omdat zij één enkel Lichaam vormen. Het is het begrijpen dat de verlossing geen individuele aangelegenheid is. Wij allen zijn van anderen afhankelijk in een diepe en essentiële zin. Daarom hoort bij een christelijke opvoeding de bevordering van wat Mac Intyre noemt de deugden van de “erkende afhankelijkheid”, zoals edelmoedigheid, dankbaarheid, medelijden, zorg voor zieken en gehandicapten,  vreugde, solidariteit en in laatste instantie barmhartigheid.

Eigen onafhankelijkheid, het vrije persoonlijke handelen bereik je slechts op grond van afhankelijkheid van anderen en deze kan ook nooit volkomen worden geëlimineerd. De menselijke vrijheid bestaat niet uit het ontbreken van bindingen, maar in de kwaliteit van die bindingen en in de vitale kracht waarmee iemand die bindingen accepteert en er trouw aan blijft.

De absolute onafhankelijkheid is een fictie. Desalniettemin werd zij geopperd door de zelfgenoegzame “autarchie” van de Griekse ethiek en later overgenomen door de moderne verlichting als groot menselijk ideaal. Hedendaagse derivaten hiervan zijn het “utilitarisme” en het ‘sentimentalisme’ (het verabsoluteren van het gevoelsleven). Beide zijn vaak met elkaar verweven.

Degene die utilitarist en emotionalist is denkt dat er slechts twee beweegredenen zijn voor het eigen gedrag. Een is de rationele besluitvorming (rational choice), de berekening van het grootst mogelijk nut van het eigen gedrag. Het probleem doet zich daarbij voor wat voor nut minder of meer gewaardeerd wordt en welke mensen je wil begunstigen of niet. Moet ik vooral mijzelf en mijn omgeving bevorderen of eerst diegenen die dat het meest nodig hebben?  Verder is het de vraag of we voorrang moeten geven aan de huidige bewoners van de aarde of dat we ons ook moeten inspannen voor toekomstige generaties en deze bijvoorbeeld niet opzadelen met een vervuilde en verwoeste aarde.

De andere soort motivatie vloeit voort uit de gevoelens van sympathie die we koesteren jegens andere mensen. Dit onmiddellijk emotionalisme verwordt - wanneer het niet geordend is door sterk ontwikkelde morele gewoonten -  tot een ethisch relativisme en tot ‘sentimentele willekeur’ (‘Ik doe waar ik zin in heb’).

Het is duidelijk dat utilitaristische en sentimentele beweegredenen niet de grondslag mogen vormen voor de relaties die in de werkelijkheid bestaan tussen de mensen. We bevinden ons in een voortdurend proces van geven en nemen, bijna nooit onderworpen aan de egoïstische berekening van het klassieke “geven om te ontvangen”. 

Het grootste deel van onze interpersonele relaties wordt meestal niet bewogen door een koele rationele berekening noch door onmiddellijke emoties, maar beantwoorden vaak aan verhoudingen die gebaseerd zijn op vriendschap, familie, of collegialiteit, waarbij we heel vaak - en soms langdurig - anderen helpen zonder iets terug te verwachten of - wat nog moeilijker is te accepteren - geholpen worden zonder enig vooruitzicht iets terug te kunnen geven in de toekomst.

Als de mensen slechts deden wat hen van pas komt of wanneer hun handelen slechts zou voort komen uit het onmiddellijk verkrijgen van plezierige gevoelens, zou de hele wereld stil komen te liggen. Recentelijk is door onderzoek aangetoond dat die activiteiten die de mensen het meest nauwkeurig verrichten precies die activiteiten zijn waarvoor zij geen financiële vergoeding krijgen. Bovendien is het niet zo dat wanneer ieder mens alleen zijn eigen belang nastreeft, de optelsom van al deze persoonlijke belangen een algemeen belang oplevert. Zo’n neoliberale voorstelling van zaken werkt niet, ondermeer omdat in extreme noodsituaties (die tegenwoordig een derde van de wereldbevolking treffen)  de mensen gewoonweg niet in staat zijn om te bedenken wat hun eigen belang is, simpelweg omdat ze het te druk hebben met gewoon te overleven.

De openbare en de persoonlijke ethiek

Aan de basis van veel theoretische en praktische vergissingen treft men een scheiding aan tussen de openbare en de persoonlijke ethiek. De openbare ethiek wordt vooral gezien als het geheel van procedures en regels en beperkt zich voornamelijk tot naleving van constitutionele normen en het respecteren van de grondwet en andere wetten. De persoonlijke ethiek wordt beperkt tot de privé sfeer, zonder enige politieke of financiële uiting. In werkelijkheid echter is er maar één ethiek die zowel publieke als particuliere kanten heeft. Maar deze zijn niet waterdicht te onderscheiden en moeten - naar mijn mening - ook niet al te los van elkaar gezien worden. Als iemand niet eerlijk of zuiver is in zijn persoonlijke of gezinsleven, is het onwaarschijnlijk dat hij of zij dit wel zal zijn in de publieke sfeer omdat hij of zij de morele sterkte zal missen om handelingen aan te pakken die tegelijk rechtvaardig en moeilijk zijn; of om gedragingen te vermijden die verleidelijk zijn doordat ze een onmiddellijk voordeel brengen maar op den duur wel de mensen corrumperen en het algemeen welzijn ernstig benadelen.  Tegelijkertijd, als iemand zich op het openbaar vlak niet naar behoren gedraagt, zal die existentiële ontwrichting zich vertalen naar de meer intieme en persoonlijke relaties, zoals deze zich manifesteren in de onevenwichtige familiesituaties van vele personen die verplicht zouden moeten zijn op grond van de autoriteit die ze vertegenwoordigen, een onberispelijk gedrag te vertonen.

De vorming van burgerzin draagt derhalve een ethisch karakter en heeft een ‘politieke uitstraling’ in de breedste zin van het woord. Een goed mens moet proberen - simultaan en onafscheidelijk - ook een goede burger te zijn, hetgeen ook inhoudt - zeker in het geval van onrechtvaardige regimes –  het niet altijd klakkeloos eerbiedigen van wetten die gedragingen voorschrijven of toelaten die intrinsiek kwaad zijn, zoals abortus ‘provocatus’,  euthanasie, onvoldoende loonbetaling aan werknemers,  slechte behandeling van buitenlanders en immigranten,  kindermishandeling of de verspreiding van pornografisch materiaal.

Nieuw burgerschap

Onze maatschappij, aan het begin van het nieuwe millennium, vereist een ‘nieuw burgerschap’, dat veel actiever en verantwoordelijker is en waarin de mensen zich niet tevreden stellen met het passief toekijken naar het publieke debat, maar die met energie en beslistheid hun sociale vrijheid, burgerlijke verantwoordelijkheid en culturele creativiteit gebruiken. Deze nieuwe burgers, die binnen enkele jaren de fakkel van de publieke verantwoordelijkheid zullen overnemen, zullen de eer en de last hebben om onze wereld vorm te geven op een werkelijk humane wijze. Hiervoor zullen ze een vak moeten leren dat niet in de schoolboeken is terug te vinden is en niet ingevoerd kan worden in de studieplannen van het ministerie van onderwijs. De vorming van burgerzin krijgt men door een osmose van  het gezin, de school, de kerk en de omgang met familie, vrienden, kennissen en buren. Dit brengt de noodzaak van goede voorbeelden naar de voorgrond. Alléén diegenen die met goede burgers leeft zal zelf leren later een goede burger te zijn. In dit vak zijn wij allen leerling en leraar tegelijk. Een ieder moet steeds bij zichzelf denken: laat ik niet degene zijn die faalt!