GODSDIENSTVRIJHEID: een korte geschiedenisschets

 

George Washington nam afscheid van zijn ambt als eerste president van de Verenigde Staten met de woorden: “Van alle kwaliteiten en gewoonten die tot politieke voorspoed leiden, zijn religie en moraal onmisbare fundamenten... Zowel het verstand als de ervaring verbieden ons te verwachten dat de moraal van een natie stand kan houden met weglating van het godsdienstige principe”.

 

Hier legt de eerste Amerikaanse president de vinger op het belangrijke verschil tussen de rol van godsdienst in een van oorsprong christelijke Westen met de rol van godsdienst in andere delen van de wereld waar godsdienst wellicht despotisme, bloedvergieten en oorlog inspireert. Het onderscheid tussen de religieuze autoriteit en de burgerlijke wet ligt in het hart van de Westerse beschaving. Jezus zelf stelde vast dat er twee autoriteiten zijn die je moet gehoorzamen: “Geef de Keizer wat de keizer toekomt en God wat God toekomt” (Matteus 22,11).

 

De absolute scheiding tussen burgerlijke maatschappij en geloof of kerkelijke gemeenschap die de laicité voorhoudt is niet gemakkelijk bereikbaar want dezelfde mensen kunnen deel uitmaken van beide gemeenschappen. Bovendien, het begrip godsdienstvrijheid is in de Westelijke cultuur ontstaan in het kader van de discussie tussen katholieken en protestanten. In de huidige discussie gaat het over alle godsdiensten en in het bijzonder de Islam.

 

Wat de christelijke burgers doen op grond van godsdienstige motieven is niet mis. Er zijn in Nederland heel veel oprecht maatschappelijk geëngageerde gelovigen die ‘onherstelbaar’ godsdienstig zijn. Iedere natie is een soort lichaam met een ziel en het christendom is de ziel van velen in ons land. Kerkse gelovigen zijn het meest actief in het vrijwilligerswerk en de informele hulpverlening. Vrijwilligers hebben een groter vertrouwen in anderen dan mensen die geen vrijwilligerswerk doen.[1]

 

Het lijkt me van belang niet te vergeten dat er behoorlijke verschillen bestaan tussen de godsdiensten. We hebben geen officiële godsdienst meer in de westerse landen en zo hoort het ook. Ik zou niet anders willen. De godsdienstige tradities van het post-christelijke Westen hangen af van de acceptatie door de gelovigen; het christendom is een geloof dat niet opgelegd wordt. Van andere godsdiensten is dat nog niet zo zeker: als je in sommige landen woont moet je naar buiten toe tot een bepaalde religie behoren.

 

“De meningen van mensen zijn geen onderwerp van de burgerlijke macht noch vallen onder zijn bevoegdheid”[2] uit de eerste wet over de vrijheid van godsdienst in Amerika was een dappere bewering omdat nooit eerder in de geschiedenis had een regering zich de bevoegdheid ontnomen over datgene waar hij van afhankelijk blijft, de mening van zijn volk. De Franse revolutionairen waren eerst minder verdraagzaam met de andersdenkenden maar later kwamen ze tot dezelfde conclusie.

 

Een halve eeuw later, in Nederland, ten tijde van Thorbecke verkregen de burgers de vrijheid van godsdienst, meningsuiting, vereniging, vergadering en onderwijs. De kieswet, de provinciale wet, de gemeentewet werden toen uitgevaardigd als fundamenten van de bestuurlijke indeling van Nederland.[3]

 

In de discussie rond de afschaffing van de slavernij schreef Abraham Lincoln: “De publieke mening (public sentiment) is alles. Dáármee kan niets vallen; Dáártegen zal niets zegevieren. Hij die vorm geeft aan de openbare mening gaat dieper dan hij die statuten of rechterlijke uitspraken uitvaardigt. Hij maakt de naleving ervan mogelijk of anders onmogelijk”[4].

 

De vraag of de godsdienst toegang tot het openbare forum zou hebben of niet is een vraag naar de theorie en praktijk van democratisch bestuur. Burgers dragen meningen, onder andere religieuze overtuigingen, en alle burgers hebben gelijke kansen tot deelname aan het openbare leven. Door een constitutioneel geordend proces zal het volk overleggen en beslissen van het volk wil.

 

Er zou geen debat mogen zijn over het wel of niet toelaten van de godsdienst in de openbare arena want dat is in Nederland grondwettelijk bepaald in art. 1: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”. Er kan wel een debat ontstaan over de vraag rond een vrije en gelijkwaardige participatie van burgers in publieke aangelegenheden.

 

Religie is onder deze voorwaarden geen bedreiging voor ons gewone leven. Godsdienst in het openbare forum is niets anders dan de publieke mening van die burgers die godsdienstig zijn. Wat individuele burgers kunnen doen, kunnen ook verenigingen van burgers doen om hun eigen meningen naar voren te brengen (Art. 6 van de Grondwet). Godsdienstig gebaseerde instellingen hebben hetzelfde recht tot het openbare forum als de burgers die daar lid van zijn. Welke het doel is van de vereniging doet er niet toe; of het vrouwenemancipatie is, dierenbescherming, of wat dan ook. Voor allen geldt de limiet van de handhaving van de openbare orde.

 

Ik zie redenen om bang te zijn voor degenen die de scheiding van kerk en staat dusdanig willen verstaan dat ze religie willen uitstoten van het openbare forum alsof ze niet zouden begrijpen welke de theorie en de praktijk van een democratisch bestuur is. Laicité of secularisme zoals we die nu verstaan is de onafhankelijkheid van de politieke macht en van de diverse spirituele of religieuze richtingen. Een seculier burgerlijk bestuur is even seculier als de mensen die er deel van uitmaken en die de regering zijn legitimiteit aanreiken.

 

Bepaalde alarmsignalen die enkel politici hebben afgeven over vermeende ‘kerk en staat’ conflicten zijn niets van dien aard. Er zijn conflicten, ja zeker, maar dat zijn de conflicten van een sterke en volwassen democratie waarin burgers op vrije wijze willen discussiëren in de openbare arena. Zoals Lincoln beweerde, statuten en rechterlijke besluiten -zelfs met de bedoeling om de burgers te beschermen-, zijn zonder de steun van de publieke mening onwerkbaar.

 

De vraag die ons blijvend bezig houdt is hoe mannen en vrouwen, burgers met meningen, gevoelens, overtuigingen, vooroordelen, visies en gemeenschappelijke tradities over normen en waarden het openbare leven kunnen ordenen in het steeds onafgemaakte experiment van de democratie. Misschien zal dit verlangen nooit volledig gerealiseerd kunnen worden maar het blijft zinvol dat de burgers zich voortdurend inspannen?

 

De godsdienstvrijheid is de motor geweest van vele democratische succesen in onze Westerse geschiedenis. De scheiding tussen kerk en staat is een lovenswaardig instrument gebleken om de vrijheid van de burgers te waarborgen. We lopen nu het risico om de laicité van de staat dusdanig te willen waarborgen dat men de vrijheid van de burgers gaat inperken? Zou dat niet bizar zijn in een land waarin ruim 80 % van de bevolking beweert godsdienstig te zijn en rond 70 % christen?

 

Mijn standpunt betekent niet dat je een onbeperkte vrijheid moet gunnen opdat mensen alles doen wat ze willen onder de dekmantel van religie. Er zijn ongetwijfeld grenzen aan het gedrag wat anders is dan een mening. In die zin vind ik het volkomen legitiem dat de overheid of schoolbesturen bepalen dat godsdienstige symbolen beperkt moeten zijn en geen aanleiding zijn tot demonstratief optreden van burgers of leerlingen. We zouden toch niet moeten vergeten dat er een hoge prijs betaald is door onze voorvaderen om de godsdienstvrijheid te laten erkennen. Daarom dienen we in de beperkingen van dit recht bijzonder voorzichtig te zijn.

 

In bepaalde omstandigheden – met een zekere aarzeling en wanneer de openbare orde het vereist – zal een beroep op de uitoefening van de godsdienstvrijheid ontzegd moeten worden. Waar de lijn getekend moet worden is een zaak van zowel constitutioneel recht als van democratisch overleg.

 

Een heel sterke reden moet gegeven worden om mensen niet te laten doen wat ze als een morele plicht beschouwen. Een mens of een gemeenschap het recht ontzeggen om gehoor te geven aan een in vrijheid aangenomen plicht kan slechts gerechtvaardigd worden door een nog sterkere plicht. De vrije uitoefening van de godsdienst is hoeksteen van de nieuwe constitutionele orde van onze democratie.

 

Wanneer de Europese burgers niet meer in het openbaar hun verplichtingen kunnen uiten ten opzichte van hun schepper, dan is het te vrezen dat ze andere verplichtingen niet zullen erkennen tegenover elkaar en tegenover de grondwet waarin de verplichtingen van de vrijheid beschermd zijn. De vrije uitoefening van de godsdienst heeft te maken met de overleving van het democratische experiment waar de burgerlijke macht geen zeggenschap over heeft: de opinie van de burgers, ook de godsdienstige.

 

Dr. R.P.M. de Ojeda

priester en jurist

Amsterdam 24-12-03

 

 


[1] God in Nederland, Anthos 1997.

[2] Richard J. Neuhaus, “A New Order of Religious Freedom”. First Things 1992.

[3] Arend-Jan Boekestijn, “Thorbecke 1978-1872” Universiteit Utrecht. Ook Mr. L.A. Struik “Katholiek onderwijs in opgang en neergang”, IKI 2002.

[4] op. cit. Neuhaus.