Vrijheid van Godsdienst

 

George Washington nam afscheid van zijn ambt als eerste president van de Verenigde Staten met de woorden: “Van alle kwaliteiten en gewoonten die tot politieke voorspoed leiden, zijn religie en moraal onmisbare fundamenten... Zowel het verstand als de ervaring verbieden ons te verwachten dat de moraal van een natie stand kan houden met weglating van het godsdienstige principe”.

 

Hier legt de eerste Amerikaanse president de vinger op het belangrijke verschil tussen de rol van godsdienst in een van oorsprong christelijke Westen met de rol van godsdienst in andere delen van de wereld waar godsdienst wellicht despotisme, bloedvergieten en oorlog inspireert. Het onderscheid tussen de religieuze autoriteit en de burgerlijke wet ligt in het hart van de Westerse beschaving. De absolute scheiding tussen burgerlijke maatschappij en geloof of kerkelijke gemeenschap is niet reëel want dezelfde mensen kunnen deel uitmaken van beide gemeenschappen.

 

We hebben geen officiële godsdienst meer in de westerse landen en zo hoort het ook. Ik zou niet anders willen. De godsdienstige tradities van het post-christelijke Westen hangen af van de acceptatie door de gelovigen; het christendom is een geloof dat niet opgelegd wordt. Door toedoen van Thorbecke verkregen de burgers in Nederland de vrijheid van godsdienst, meningsuiting, vereniging, vergadering en onderwijs.

 

De vraag of de godsdienst toegang tot het openbare forum zou hebben of niet is een vraag naar de theorie en praktijk van democratisch bestuur. Burgers dragen meningen, onder andere religieuze overtuigingen, en alle burgers hebben gelijke kansen tot deelname aan het openbare leven. Er zou geen debat mogen zijn over het wel of niet toelaten van de godsdienst in de openbare arena want dat is in Nederland grondwettelijk bepaald in art. 1: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”.

 

Er kan wel een debat ontstaan over de vraag rond een vrije en gelijkwaardige participatie van burgers in publieke aangelegenheden. Religie is geen bedreiging voor ons gewone leven. Godsdienst in het openbare forum is niets anders dan de publieke mening van die burgers die godsdienstig zijn.

Wat individuele burgers kunnen doen, kunnen ook verenigingen van burgers doen om hun eigen meningen naar voren te brengen en scholen op te richten (Art. 6 en 23 van de Grondwet). Voor allen geldt de limiet van de handhaving van de openbare orde.

 

Er zijn wel eens conflicten in de relatie tussen staat en geestelijke gemeenschappen, jazeker, maar dat zijn de conflicten van een sterke en volwassen democratie waarin burgers op vrije wijze willen discussiëren in de openbare arena. De vraag die ons blijvend bezig houdt is hoe burgers met meningen, gevoelens, overtuigingen, vooroordelen, visies en gemeenschappelijke tradities over normen en waarden het openbare leven kunnen ordenen in het steeds onafgemaakte experiment van de democratie.

 

De godsdienstvrijheid is de motor geweest van vele democratische succesen in onze geschiedenis. De scheiding tussen kerk en staat is een lovenswaardig instrument gebleken om de vrijheid van de burgers te waarborgen. We lopen nu het risico om de scheiding van kerk en staat dusdanig te interpreteren dat men de vrijheid van de burgers gaat inperken? Is dat niet de geschiedenis terugdraaien? Dat zou overigens zeer bizar zijn in een land waarin ruim 80 % van de bevolking beweert godsdienstig te zijn.

 

Ik bedoel niet dat je een onbeperkte vrijheid moet gunnen opdat mensen alles doen wat ze willen onder de dekmantel van religie. Er zijn ongetwijfeld grenzen aan het gedrag wat anders is dan een mening. Maar toch, we zouden niet moeten vergeten dat er een hoge prijs betaald is door onze voorvaderen om de godsdienstvrijheid te laten erkennen en daarom dienen we in de beperkingen van dit recht bijzonder voorzichtig te zijn.

 

Soms zal een beroep op de uitoefening van de godsdienstvrijheid ontzegd moeten worden als gevolg van zowel constitutioneel recht als van democratisch overleg. Een heel sterke reden moet gegeven worden om mensen niet te laten doen wat ze als een morele plicht beschouwen. Een mens of een gemeenschap het recht ontzeggen om gehoor te geven aan een in vrijheid aangenomen plicht kan slechts gerechtvaardigd worden door een nog sterkere plicht.

 

Wanneer de Europese burgers niet meer in het openbaar hun verplichtingen kunnen uiten ten opzichte van hun schepper, dan is het te vrezen dat ze andere verplichtingen niet zullen erkennen tegenover elkaar en tegenover de grondwet waarin hun vrijheid beschermd is. De vrije uitoefening van de godsdienst heeft te maken met de overleving van het democratische experiment waar de burgerlijke macht geen zeggenschap over heeft: de opinie van de burgers, ook de godsdienstige.

 

Dr. R.P.M. de Ojeda

priester en jurist