CheckStat
Uncommon Faith: the founding of Opus Dei Uncommon Faith: een boek over het ontstaan van het Opus Dei

Een Amerikaanse historicus die zeven jaar in Rome heeft samengewerkt met Jozefmaria Escrivá heeft een boek geschreven over de beginjaren van het Opus Dei.

01 april 2003

 
John Coverdale beschrijft in zijn boek Uncommon Faith: The Early Years of Opus Dei (1928-1943) hoe Jozefmaria Escrivá zich inspant om de boodschap van de heiliging voor de leek te verspreiden onder mensen van allerlei slag en te midden van de terreur en de onzekerheden van de Spaanse burgeroorlog.

Om de stichting van het Opus Dei te begrijpen is het volgens Coverdale noodzakelijk het toenmalige Spanje te kennen. Hij plaatst de gebeurtenissen rond het Opus Dei in een brede religieuze, sociale, politieke en economische context. Hij wijdt aparte hoofdstukken aan de ontwikkelingen van de Spaanse burgeroorlog en aan de tijd erna.

De auteur legt uit hoe Escrivá belangrijke obstakels op zijn weg overwon. Zo ondervond hij grote tegenwerking van de Falange, uit de universitaire wereld en uit klerikale kringen. Coverdale beschrijft ook het ontstaan van de eerste centra van het Opus Dei, de komst van de eerste leden en het werk van de eerste vrouwen van het Opus Dei.

De auteur

John F. Coverdale (Chicago, 1940) Studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Wisconsin. Hij vervolgde zijn studie aan de Universiteit van Navarra (Spanje) en aan de Universiteit van Lateranen (Rome) waar hij promoveerde in de filosofie. Teruggekeerd in Wisconsin promoveerde hij in de geschiedenis.

Hij was docent Spaanse geschiedenis aan de universiteiten van Princeton en Northwestern. Op dit vakgebied schreef hij o.a. Italian intervention in the Spanish Civil War (Princeton University Press, 1975) en The political transformation of Spain after Franco (Praeger, 1979). Hij was jarenlang adviseur van het State Department in Washington over Spaanse aangelegenheden.

In 1984 sloeg hij de juridische richting in. Na zijn studie Rechten aan de Law School van de Universiteit van Chicago werkte hij voor de Court of Appeal van het district Columbia en als advocaat in Washington. Sinds 1993 is hij hoogleraar belastingrecht aan de Seton Hall University School of Law.

Hij leerde de stichter van het Opus Dei kennen in september 1960 in Rome. Hij woonde en werkte er met Escrivá tot aan zijn terugkeer naar de Verenigde Staten in 1968.

Het boek

Uncommon Faith (ISBN 1-889334-74-X, paperback, 400 blz.) is uitgegeven door Scepter Publishers te New York en in Nederland verkrijgbaar bij Stichting De Boog, Utrecht http://www.deboog.nl

Hierbij de vertaling van een interessant hoofdstuk uit het boek.

Hoofdstuk 23

TEGENWERKING EN ONTWIKKELING (1940-1943)

Kritiek en tegenwerking

Paus Paulus VI zei ooit dat “de heiligen altijd een provocatie vormen voor het vasthouden aan onze gewoonten, die wij vaak verstandig vinden omdat die ons nu eenmaal goed uitkomen”. De instellingen van de Kerk en hun stichters, ook de meest heiligen, hebben niet alleen geleden onder kritiek en vervolging van tegenstanders van de Kerk, maar ook van katholieken zelf. De stichter van de jezuïeten, de heilige Ignatius van Loyola, werd verschillende malen aangeklaagd bij de inquisitie en belandde twee maal in haar kerkers. De pauselijke nuntius in Spanje noemde de grote hervormster van de karmelietenorde, Teresia van Avila, lui, ongehoorzaam en eigenwijs. Ze leed onder zoveel aanvallen en er waren zoveel pogingen om haar zwart te maken, dat zij eens bij een vriendin haar verbazing uitte over het vermogen van sommigen om leugens te verzinnen. Don Bosco, de stichter van de salesianen, werd door priesters uit zijn tijd in diskrediet gebracht: ze noemden hem een oproerkraaier, een gek en een ketter. De stichter van het Opus Dei was geen ander lot beschoren.

Al voor de Spaanse burgeroorlog werd Escrivá bekritiseerd in klerikale kringen in Madrid. De groei van het Opus Dei begin jaren 40 en de karakteristieke intolerante naoorlogse sfeer zorgden voor meer aanvallen. De tegenwerking kwam uit drie hoeken: sommige leden van de Falange, de officiële politieke partij die zich niet kon vinden in het feit dat het Opus Dei benadrukte dat katholieken vrij zijn op dit terrein; bepaalde hoogleraren die zich verzetten tegen de aanwezigheid van praktiserende gelovigen op de universiteit; en een aantal priesters en religieuzen, die verontrust waren voor de nieuwheid van de door het Opus Dei gebrachte boodschap of omdat zij het Opus Dei zagen bewegen in kringen die zij als hun exclusieve werkterrein beschouwden.

 

Tegenwerking van de Falange

            De Falange beheerste het Spaanse politieke leven van na de Burgeroorlog. Het was de enige politieke partij en controleerde zowel de enige vakbond als de enig toegestane studentenorganisatie in het land. Zoals vele Spanjaarden, hadden sommige leden van het Opus Dei zich bij de Falange aangesloten. Andere leden deden dat niet.

            Escrivá zei duidelijk dat de leden van het Opus Dei geheel vrij waren in politieke aangelegenheden. Als loyale gelovigen van de Kerk, zouden zij wel gebonden zijn aan de kerkelijke hiërarchie, indien deze instructies zou uitvaardigen over politieke maatregelen die de geestelijke waarden zouden aantasten. Het Opus Dei zou echter nooit politieke richtlijnen uitvaardigen. Het was bekend dat een aantal bisschoppen de Falange steunden. De hiërarchie gaf echter niet aan dat katholieken deze organisatie zouden moeten steunen. Daarom waren de leden van het Opus Dei geheel vrij om zich al dan niet bij die partij aan te sluiten.

            Het Opus Dei moedigde zijn leden en degenen die aan zijn vormingsactiviteiten deelnamen aan om hun vrijheid, ook op politiek gebied, op verantwoorde wijze te gebruiken. Maar zij werden nooit in een bepaalde richting geduwd. Toen een van de bewoners van het studentenhuis in Madrid aan de leiding van het huis voorstelde een campagne voor de studentenorganisatie van de Falange te ondersteunen, werd dit beleefd maar resoluut afgewezen. Hem werd te verstaan gegeven dat het huis de politieke vrijheid van de bewoners respecteerde.

            Iedere gelovige van het Opus Dei heeft vrijheid van meningsuiting. En niet alleen dat: sommigen zijn actief in de politiek. Zo was Juan Bautista Torelló, een jonge man van het Opus Dei uit Barcelona, lid van een Catalaanse culturele vereniging die werd beschouwd als een clandestiene groep tegen het regime. Toen Torelló aan Escrivá over zijn lidmaatschap vertelde, benadrukte deze dat de leden van het Opus Dei vrij zijn op politiek en cultureel vlak. Escrivá zei hem ook dat geen enkele bestuurder van het Werk gerechtigd is de eigen mening op deze terreinen op te leggen, noch bij de leden van het Opus Dei, noch bij degenen die betrokken zijn bij zijn apostolaat van het Werk. Escrivá raadde hem aan te trachten te voorkomen dat hij gearresteerd zou worden, omdat er in Barcelona op dat moment maar zes leden van het Opus Dei waren. Als een van hen in de gevangenis zou belanden, zou dit een klap voor de ontwikkeling van het Werk betekenen. Maar hij besloot met: “Doe wat je het beste lijkt.”

            Als hoofd van het Opus Dei en als priester, lette Escrivá er zorgvuldig op niet zijn mening te geven over politieke zaken. In de eerste jaren na de Spaanse burgeroorlog hief bijna iedereen – ook veel bisschoppen en priesters – de arm schuin omhoog wanneer het volkslied tijdens officiële ceremonies werd gespeeld. Dit was een gebruik dat door de Falange en het regime van Franco was ingevoerd. Escrivá heeft dit nooit gedaan; niet zozeer uit oppositie, maar om zich met geen enkele politieke groepering te identificeren. Aldus vermeed hij de leden van het Werk te beïnvloeden en weerhield hij niemand die andere meningen op deze terreinen had, geestelijke leiding bij hem te zoeken.

            Daarnaast heeft Escrivá nooit geaarzeld om met mensen om te gaan die zich tegen het regime opstelden of indertijd voor verdacht werden gehouden. De weduwe van iemand die in de gevangenis zat omdat hij ervan verdacht was vrijmetselaar te zijn, schreef de stichter van het Opus Dei om hem te bedanken voor de vriendschap en de aandacht voor haar man op momenten dat niemand, zelfs niet zijn meest naaste personen, hem ondersteunde.

            Dit respect voor de vrijheid viel slecht in falangistische kringen, waar iedere groep die niet onder hun directe controle viel als een bedreiging voor hun streven werd aangezien. Het tijdschrift “¿Qué pasa?” en andere falangistische bladen publiceerden felle aanvallen tegen het Werk en haar stichter, toegestaan door de officiële censuur van het regime.

            Iemand die werkte op het secretariaat van de Falange gaf aan de augustijn José López Ortiz, een goede vriend van Escrivá, een onderzoeksrapport over “de geheime organisatie Opus Dei” opgesteld door de inlichtingendienst van de Falange. Het Opus Dei werd daarin niet alleen beschouwd als een clandestiene organisatie, maar ook aangevallen vanwege zijn internationale gerichtheid, zijn oppositie tegen de staat en het regime en zijn vermeende anti-vaderlandsliefde. Daarnaast werd het Werk beschuldigd van tegenstand tegen de Falange en van sektarische machinaties om controle over de universiteiten te krijgen. Ortiz, die het document als wrede laster omschreef, kon zijn tranen niet bedwingen toen hij het voor de stichter voorlas. Tot zijn verbazing keek Escrivá hem glimlachend aan en zei hem: “Maak je geen zorgen, José, want alles wat ze daarin zeggen is godzijdank niet waar. Als ze me beter hadden gekend, zouden ze met recht veel slechtere dingen over mij kunnen zeggen, want ik ben maar een arme zondaar die gek is op Christus.” Escrivá verscheurde het document niet, maar gaf het terug aan Ortiz opdat deze het aan zijn vriend op het secretariaat zou geven zodat die later geen problemen zou krijgen.

            De vervolging ging verder dan alleen laster. De priester Mariano Gayar Moqueda, die op een ochtend het centrum van het Opus Dei in de Lagascastraat verliet na het lezen van de mis, werd gevolgd door twee mannen. Toen hij hen vroeg wat hun bedoeling was, zeiden ze dat zij politieagent waren en het huis in de gaten moesten houden. Ze moesten onderzoeken wat voor activiteiten er plaatsvonden, omdat de verdenking bestond dat het van de vrijmetselarij was.

            Het Opus Dei werd gedaagd voor de Rechtbank ter bestrijding van de vrijmetselarij en het communisme op beschuldiging van lidmaatschap van de joodse tak van de vrijmetselarij. Aangezien de leden van het Werk geen herkenningstekens droegen en hun lidmaatschap niet in het openbaar bekendmaakten, concludeerden de aanklagers dat het om een geheim genootschap ging. En aangezien zij de vrijmetselarij als het model van de geheime genootschappen beschouwden, waren zij van mening dat het Opus Dei als zodanig beschouwd moest worden. Een betrokkene wist nog te vertellen dat geprobeerd was een verband te leggen tussen de afkorting SOCOIN van Sociedad de Colaboración Intelectual, een op initiatief van Escrivá opgerichte studiekring, en de naam van een oude joodse groep Socoim. Ook al klinkt de beschuldiging van joodse vrijmetselarij vandaag de dag onzinnig, in het Spanje na de Burgeroorlog was het een ernstige zaak. Voor de toenmalig heersende klasse waren de vrijmetselarij en het communisme verzamelnamen voor alles waartegen in de oorlog gestreden was. Men was vastbesloten al hun sporen in het land uit te wissen.

            De Rechtbank ter bestrijding van de vrijmetselarij en het communisme had ruime bevoegdheden ontvangen en kon die vrijwel zonder beperking uitoefenen. Ook slecht gefundeerde beschuldigingen werden in beschouwing genomen. Escrivá vertrouwde de dominicaan Silvestre Sancho Morales toe dat de dag waarop hij kennis nam van de beschuldigingen een van de slechtste van zijn leven was. In het proces werd naar voren gebracht dat de leden van het Opus Dei celibatair leefden. Toen de president van de rechtbank, generaal Saliquet, hiernaar vroeg en een bevestigend antwoord kreeg, zette hij een punt achter het proces. Hij beredeneerde dat wanneer zij het celibaat beleefden, ze geen vrijmetselaars waren, omdat het voor de doelstelling van de vrijmetselarij geen vereiste was zo te leven. De vrijspraak van de rechtbank had echter niet tot gevolg dat de kritiek van de Falange stopte. Integendeel, deze heeft nadien nog jarenlang geduurd.

 

Tegenwerking uit universitaire kringen

            De boodschap van het Opus Dei richt zich tot alle mensen, ongeacht hun afkomst of opleiding. Nadat Escrivá zijn werk onder een brede groep personen was begonnen, besloot hij zijn aandacht tijdelijk speciaal te richten op studenten en pas afgestudeerden. Hij wilde aldus een solide basis vormen van volgelingen uit intellectuele kringen die daarna in staat zouden zijn de geest van het Opus Dei in alle geledingen te verbreiden.

            Begin jaren 40 waren alle leden van het Werk derhalve student of academicus. Escrivá spoorde enkelen onder hen die aanleg hadden voor wetenschappelijk onderzoek en onderwijs aan om universitair docent te worden. In die hoedanigheid zouden zij goede mogelijkheden hebben om de cultuur met de christelijke boodschap te verrijken.

            In het toenmalige Spanje waren er alleen rijksuniversiteiten. Dit betekende dat iedereen die voldeed aan de gestelde vereisten kon meedingen naar vrijkomende leerstoelen. De benoemingscommissies, die waren ingesteld door het Ministerie van Onderwijs, lieten hun keuze uit de kandidaten afhangen van publicaties en van een reeks mondelinge en schriftelijke toetsen.

            Op enkele uitzonderingen na, waren de gelovigen van het Opus Dei nog zo jong dat zij onder normale omstandigheden jaren zouden moeten wachten alvorens in aanmerking te komen voor een leerstoel. De eerste jaren na de Spaanse burgeroorlog boden echter bijzondere mogelijkheden voor jonge wetenschappers. Veel hoogleraren waren tijdens de oorlog in ballingschap gegaan. Anderen die in Spanje bleven werden door de regering afgezet vanwege hun ideeën. Aldus was een ongewoon groot aantal vacatures aan de Spaanse universiteiten ontstaan. Velen, onder wie ook enkelen van het Opus Dei, maakten van die situatie gebruik door zich voor de opengevallen plaatsen te presenteren.

            Dit veroorzaakte de beschuldiging dat het Opus Dei de universiteiten in beslag probeerde te nemen. Dit zou gebeuren met de steun van José María Albareda die onlangs tot voorzitter van de Raad voor Wetenschappelijk Onderzoek was benoemd en van de minister van Onderwijs Ibáñez Martín. Laatstgenoemde behoorde tot de Asociación Católica Nacional de Propagandistas (Katholieke Propagandavereniging) en was niet van het Opus Dei, ook al was hij goed bekend met enkele leden.

            Op het moment van de eerste beschuldigingen was Albareda het enige lid van het Opus Dei dat hoogleraar was. In een periode van vijf jaar, van 1940 tot 1945, waren elf personen van het Opus Dei benoemd. Dit was circa zes procent van het aantal nieuw benoemde hoogleraren en een veel kleinere fractie van het totale aantal universitaire docenten. Ook al was hun aanwezigheid niet onopgemerkt, deze kon moeilijk worden opgevat als een “verovering” van de universiteiten, ook omdat ze noch gezamenlijk optraden, noch aanwijzingen van het Opus Dei kregen hoe zich op de verschillende universiteiten te gedragen. Ter illustratie, in dezelfde periode werden dertig procent van de juridische leerstoelen en vijftien procent van de andere faculteiten bezet door leden van de Asociación Católica Nacional de Propagandistas.

            De augustijn José López Ortiz, hoogleraar rechtsgeschiedenis en later bisschop, maakte in de jaren veertig diverse malen deel uit van benoemingcommissies, ook toen leden van het Opus Dei zich kandidaat stelden. Hij wijtte de beschuldigingen tegen het Werk en zijn leden aan drie factoren: de oppositie van sommigen tegen de aanwezigheid van praktiserende katholieken op de universiteit; de rivaliteit tussen verschillende denkrichtingen binnen de universiteit; de neiging van sommige afgewezen kandidaten om hun verlies eerder toe te schrijven aan obscure machinaties dan aan onvoldoende eigen bekwaamheid. Ortiz getuigt dat “noch de stichter, noch de boodschap van het Opus Dei, noch het optreden van zijn leden enig verwijt treft”.

 

Tegenwerking van andere katholieken

            De grootste weerstand tegen het Opus Dei kwam niet uit politieke kringen of uit de academische wereld, maar voornamelijk uit kerkelijke en klerikale hoek. De belangrijkste persoon achter de campagne tegen het Werk was een bekende religieus, samen met enkele leden van religieuze orden, diocesane priesters en geëngageerde leken in hun omgeving. Voor de duidelijkheid: niet alle religieuzen bekritiseerden het Werk; velen verdedigden het met liefde. De kritiek werd zo hevig dat een hoogleraar opperde dat zij het Opus Dei te gronde zouden richten. Teresia van Avila citerend, noemde Escrivá de campagne van deze katholieken “de tegenwerking van de goeden”. Hij ging ervan uit dat de critici handelden, in de woorden van Jezus, “in de mening een daad van godsverering te stellen” (Joh. 16, 2).

            In een brief van september 1941 vat de bisschop van Madrid de binnenkerkelijke aanval tegen het Opus Dei als volgt samen. De critici beschuldigen het van “vrijmetselarij, ketterse sekte…, poel die de zielen onherroepelijk in het verderf stort; en zijn leden iconoclasten en gehypnotiseerden, vervolgers van de Kerk en van de religieuze staat…” Vanuit de sacristie, de biecht- en preekstoel wordt gewaarschuwd voor het grote gevaar dat zij voor de Kerk vertegenwoordigt. Men hoopt op een spoedige veroordeling door Rome. In een novicenopleiding wordt Escrivá de antichrist genoemd. In een school van religieuzen in Barcelona wordt “De Weg” verbrand alsof het om een ketters boek ging. Tijdens een mis van de Mariacongregatie, waar enkelen van het Werk toe behoorden, bestempelde de celebrant ze als leden van een gevaarlijke sekte, royeerde ze uit van de vereniging en verplichtte hen de kerk te verlaten.

            Sommige religieuzen deden alles om de burgerlijke autoriteiten ertoe te bewegen de centra van het Werk te sluiten en de stichter gevangen te zetten. Ze kregen de gouverneur van Barcelona zover om een arrestatiebevel tegen Escrivá uit te vaardigen in het geval dat hij in de stad zou komen. De situatie was zo ernstig dat de nuntius Escrivá adviseerde incognito te reizen wanneer hij naar Barcelona zou gaan.

            De critici probeerden ook de kerkelijke autoriteiten te overtuigen om zich in de zaak te mengen. Twee religieuzen bezochten de bisschop van Santiago de Compostella en overhandigden hem een document waaruit zou moeten blijken dat de bisschop van Madrid Escrivá had verboden de mis te lezen en biecht te horen. In kerkelijke kringen in Madrid ging het gerucht dat hij aangeklaagd was voor het Heilig Officie. Er was geen formele aanklacht, maar wel geheime pogingen om Escrivá door de Heilige Stoel te laten veroordelen.

            Het meest pijnlijke en schadelijke voor het Werk waren de bezoeken van enkele priesters en religieuzen aan families van verschillende jongeren rond het Opus Dei die nadachten over hun mogelijke roeping. De bezoekers zeiden aan de ouders dat hun zonen zich hadden aangesloten bij een ketterse sekte en dat die het gevaar liepen voor eeuwig verdoemd te worden. De moeder van Álvaro del Portillo ontving een aantal anonieme brieven, gevolgd door een bezoek van een religieus die haar waarschuwde voor de ernstige geestelijke situatie waarin haar zoon zich bevond. Zij kende Escrivá echter goed en wist dat de betreffende persoon met onwaarheden kwam. Dit was echter niet het geval met vele andere families, die onder de indruk waren van deze beschuldigingen. Soms dreigden ze hun kinderen het huis uit te zetten wanneer deze hun contact met het Opus Dei niet voorgoed zouden verbreken.

            De kritiek richtte zich op de eerste plaatst tegen de boodschap van het Opus Dei over de universele oproep tot heiligheid en de mogelijkheid zich midden in de wereld te heiligen zonder priester of religieus te worden. Dit idee werd opgevat als gevaarlijke nieuwlichterij in strijd met het geloof en de praxis van de Kerk en bovendien als het wegkapen van roepingen voor het seminarie en de religieuze orden.

            Deze beschuldigingen kwamen ter ore van de nuntius. Hij vroeg het Opus Dei om opheldering. Niet Escrivá, maar Álvaro del Portillo bezocht hem. Op de vraag van de nuntius hoe zij het durfden roepingen weg te roven en de seminaries en noviciaten kapot te maken, antwoordde Del Portillo: “Wij zijn allemaal beroepsmensen, verdienen werkend ons brood en voorzien aldus in ons levensonderhoud. Ik kan u zeggen dat er leukere manieren zijn om zich in het verderf te storten.” De nuchterheid van dit antwoord overtuigde de nuntius. In het gesprek leerde hij het Opus Dei zodanig kennen, dat hij een van zijn meest overtuigde verdedigers werd.

            De beschuldiging tegen het Opus Dei van het wegnemen van roepingen tot het priesterschap en het religieuze leven bleek niet op te gaan. De grote meerderheid van de jongeren die in de jaren veertig contact met het Opus Dei zochten had nooit gedacht naar het seminarie te gaan of bij een orde in te treden. Sommigen deden voor hun contact met het Opus Dei serieus aan hun geloof, maar vele anderen niet. Alleen enkelen hadden overwogen hun leven aan God te geven.

            Een aanzienlijk aantal jongens en meisjes die dankzij het Werk hun geestelijk leven gingen verzorgen, ontdekten zelfs hun roeping tot het priesterschap of de religieuze staat. Escrivá zelf heeft veel mensen die geestelijke leiding bij hem namen op weg geholpen naar de religieuze orden. Zo presenteerde een jonge man zich bij het centrum van het Werk in de Lagascastraat. Hij zei Escrivá dat hij zich geroepen voelde om bij een bepaald convent in te treden, maar dat hij daar het benodigde geld niet voor had. Nadat Escrivá zich ervan had vergewist dat de wens van de jongen oprecht was, gaf hij hem al het geld uit de kas van het centrum.

            De beschuldigingen tegen het Opus Dei hielden hier niet bij op. Vele waren zo bizar dat het moeilijk te begrijpen valt dat ze serieus genomen werden. In de religieus en politiek geëxalteerde sfeer van het naoorlogse Spanje was de situatie echter anders.

            In het kleine centrum van Barcelona hing een groot zwart houten kruis zonder corpus. Het gerucht ging dat het kruis gebruikt werd voor bloedige religieuze rituelen, waarin de leden van het Opus Dei elkaar kruisigden. Om dergelijke geruchten de kop in te drukken, werd het kruis vervangen door een kruis dat zo klein was, dat er zelfs een baby niet op zou passen. In Madrid gingen leden van een katholieke jeugdorganisatie naar het studentenhuis om de “geheimen” te ontdekken van de “aan de vrijmetselarij verbonden ketterse sekte”. Ze zeiden dat ze in de kapel mysterieuze teksten en joodse kabbalistische symbolen hadden aangetroffen. Wat ze in werkelijkheid gezien hadden waren Latijnse verzen van een bekende eucharistische hymne en oud-christelijke symbolen, zoals een broodmand, korenaren en druiventrossen. 

Reactie op de vervolging

            Escrivá was ervan overtuigd dat de vervolging paste in de plannen van de goddelijke voorzienigheid. De bisschop van Madrid bestempelde deze vervolging als zeer wreed. Als God toelaat dat zijn zonen en dochters onrechtvaardige aanvallen te verduren hebben, is dat om ze sterker te maken en in hun geloof te bevestigen. Deze overtuiging deed Escrivá zijn rust en vreugde bewaren, ondanks het bittere lijden.

            Degenen die Escrivá kenden verbaasden zich over zijn vermogen om tegen de verdrukking in te groeien. Monseigneur José María Bueno Monreal, de latere kardinaal-aartsbisschop van Sevilla, was een goede vriend van hem. Hij vertelt: “Ik heb nooit aan hem gezien dat hij moeilijke momenten doormaakte. Het valt niet te betwijfelen dat hij door zijn geloof in God, zijn hoop op de bijstand van God de Vader en als gevolg daarvan zijn blijdschap en goede humeur, nooit zijn innerlijke vrede verloor. Meer nog: daarmee wist hij anderen het grote vertrouwen te geven dat wanneer men Gods wil vervult, alles ten goede zal keren.”

            Een andere goede vriend van hem, monseigneur Pedro Cantero Cuadrado, de latere aartsbisschop van Zaragoza, herinnert zich dat Escrivá hem zei: “Dat wat ze zeggen is complete laster. Maar God weet waarom Hij dat toestaat. Twijfel er niet aan dat alles ten goede komt. En wanneer Hij wil, zal de waarheid aan het licht treden.”

            Het geheim van zijn vreugde was zijn krachtige bewustzijn van het goddelijk kindschap, waarop de geest van het Opus Dei rust. Hij zei eens in een meditatie: “U bent het, Heer, die mij laat begrijpen dat de ontmoeting met het Kruis geluk en vreugde teweegbrengt. Duidelijker dan ooit zie ik in dat het Kruis bezitten betekent zich met Christus identificeren, Christus zelf zijn en daarom kind van God.”

            Midden in die intriges en onbegrijpelijke en soms brutale laster lukte het Escrivá de vrede en de blijdschap te bewaren. Niet dat dat altijd gemakkelijk ging. Een keer kon hij de slaap niet vatten en ging hij naar de kapel van Lagasca, waar hij toen woonde. Hij knielde voor het tabernakel neer en zei uit het diepst van zijn ziel: “Heer, als U mijn eer niet nodig hebt, waarvoor zou ik die dan willen?”

            Een van de meest onthullende documenten van het lijden van Escrivá uit die tijd is een brief die hij aan Del Portillo schreef op 9 september 1941. Zoals ook in de jaren dertig een keer was gebeurd, leek het erop dat God hem de overtuiging afnam dat het Werk ook van God kwam; en dat daarom al die moeilijkheden de kop opstaken. Hij schreef het gebeurde aan Del Portillo: “Vandaag heb ik het heilig misoffer en heel de dag opgedragen voor de Heilige Vader en zijn intenties. Na de consecratie voelde ik de innerlijke drang (in de zekerheid dat het Werk zeer geliefd zal zijn bij de paus) om iets te doen wat mij tranen heeft gekost. Met deze brandende tranen keek ik naar de eucharistische Christus voor mij op het altaar en zei hem uit volle overtuiging: ‘Heer, als U het wilt, aanvaard ik de onrechtvaardigheid.’ Je kunt je voorstellen wat die onrechtvaardigheid betekent: de vernietiging van heel het werk van God.

            Ik weet dat ik Hem beviel. Hoe kon ik weigeren die daad van vereniging met de goddelijke wil te stellen? God vroeg erom. Al eerder, in 1933 of 1934, heb ik Hem met evenveel moeite hetzelfde gezegd.”

            Ondanks de angst van dat moment van innerlijke duisternis, bleef Escrivá ervan overtuigd dat God het Werk wilde om veel zielen tot Hem te brengen. Hij vervolgt zijn ontboezeming aan Del Portillo aldus: “Mijn zoon, wat een rijke oogst heeft de Heer voor ons bereid wanneer onze Heilige Vader ons zal kennen, niet door laster, maar zoals we zijn, trouw aan hem, en ons zegent!

            Ik zou het willen uitschreeuwen, zonder mij iets aan te trekken van wat men zal zeggen; die uitroep die mij soms ontvalt wanneer ik voor jullie preek: Mijn Jezus, wat een oogst!”

            Aan het einde van de brief vertrouwt Escrivá toe wat voor moeite hij doet om de vrede en de vreugde in al die beproevingen te bewaren:

            “Beste Álvaro, bid veel en vraag veel gebeden voor mij als geestelijke vader. Jezus staat toe dat de vijand mij de enorme absurditeit van deze ongelooflijke leugencampagne laat zien; de ‘animalis homo’ verheft zich met een menselijk impuls. Door de genade van God verwerp ik deze natuurlijke reacties; en geef ik ruimte aan een blij en kinderlijk ‘fiat’ (van het goddelijk kindschap: ik ben kind van God!), dat mij vervult van vrede, vreugde en overgave.”

            Op die momenten van zware tegenwerking spoorde Escrivá zijn geestelijke kinderen aan om te bidden, te zwijgen, te werken en te glimlachen. Hij verbood hen zelfs onderling over de vervolging te spreken opdat zij niet zouden vervallen in liefdeloosheid jegens de vervolgers. Het hoofd van het centrum van het Werk in Barcelona, de stad waar de campagne het meest agressief was en waar de leden uit niet meer dan een groepje jongeren bestond, schreef het volgende terug aan Escrivá: “U kunt gerust blijven, vader, want bij ons komen zelfs niet de geringste gedachten van liefdeloosheid op.”

            De bisschop van Madrid uitte eens zijn bezorgdheid bij Del Portillo dat de vervolging van het Werk een spoor van haat en rancune zou kunnen achterlaten, in het bijzonder bij de jongsten van het Werk. Álvaro del Portillo stelde hem gerust: “Wij zien in dat God dit toelaat opdat wij met dit offer dat Hij ons zendt beter worden. Wij zijn blij. Wanneer een goede chirurg een succesvolle operatie wil verrichten, kiest hij goed instrumentarium. De Heer heeft voor deze tegenwerking een operatiemes van platina willen gebruiken.”

 

Steun van de bisschop van Madrid

            Midden in deze beproevingen ontving het Opus Dei de hechte en besliste steun van de bisschop van Madrid, mgr. Leopoldo Eijo y Garay. Bij een wijding in de kapel van het seminarie van Madrid maakte hij van de gelegenheid gebruik te verklaren dat “het Opus Dei een door de hiërarchie goedgekeurd werk is. Ik sta niet toe dat men tegen het Opus Dei spreekt.”

            De bekende en invloedrijke abt van het benedictijner klooster van Montserrat schreef aan bisschop Eijo y Garay over de geruchten die hem ter ore kwamen en vroeg hem informatie. De bisschop antwoordde: “Ik ben van alles op de hoogte. Vanaf zijn stichting in 1928 staat het Opus geheel onder de hoede van de Kerk. Het diocesane gezag, dat wil zeggen mijn vicaris-generaal en ikzelf, volgen al zijn stappen en stellen die, indien nodig, bij… Gelooft u mij, hoogeerwaarde abt, het Opus is werkelijk van God, vanaf zijn eerste idee en in al zijn stappen en werken… En toch zijn het nu de goeden die het aanvallen. Het zou ons moeten verbazen wanneer de Heer dit fenomeen niet zou toelaten bij werken die geheel van Hem komen.”

            In een brief van 21 juni 1941 aan de abt behandelt Eijo y Garay de beschuldiging dat de leden van het Opus Dei zich zouden verzetten tegen de religieuze orden en congregaties: “Dit behoort tot de meest ernstige laster tegen het Opus Dei; ik garandeer u, hoogeerwaarde pater, dat dit pure laster is. Hoe kunnen zij de heilige Kerk beminnen zonder ook de religieuze staat lief te hebben? Zij beminnen en respecteren die staat en beschouwen hem als een heilsmiddel voor wie daartoe door God geroepen zijn; maar zij voelen zich tot iets anders geroepen, namelijk om zich midden in de wereld te heiligen en daar hun apostolaat te beoefenen. Dat is wat zij voelen en zeggen, zonder dat dit ook maar de geringste minachting voor de religieuze staat impliceert. (…) Zij geloven dat wanneer zij deze oproep tot dit soort apostolaat volgen, zij meer eer aan God geven, dan wanneer zij deze roeping in de wind slaan en religieus zouden worden.”

            Op 1 september 1941 beantwoordt Eijo y Garay twee brieven van de abt die melding maken van het heftiger worden van de campagne tegen het Opus Dei. De bisschop herhaalt zijn waardering voor het werk dat de leden van het Opus Dei verrichten en zegt daarover: “Zij zijn op het goede pad want zij gaan stevig hand in hand met de bisschoppen zonder ander verlangen dan hen te gehoorzamen en de Kerk te dienen; hun leuze, opdracht en richtlijn voor iedere dag is Serviam

            In dezelfde brief schrijft hij over Escrivá: “Een voorbeeldig priester, door God uitgekozen voor de heiliging van vele zielen, nederig, verstandig, onzelfzuchtig, uiterst volgzaam jegens zijn prelaat, bijzonder intelligent, geestelijk en theologisch zeer goed gevormd, zeer ijverig, een apostel voor de vorming van de studerende jeugd, verdienstelijk voor het land en op niets anders gericht dan de dienst en verdediging van de Kerk. Hij bezielt een groot aantal intellectuele beroepsmensen die midden in de wereld een heilig leven leiden en als apostelen werken.”

            Terugkomend op het Opus Dei stelt hij: “Het Opus heeft zich naar het toonbeeld van zijn geest gevormd. Ik weet het niet uit de tweede hand, maar uit eigen ondervinding. De mannen van het Opus Dei (ik onderstreep het woord mannen omdat er onder hen ook jongeren zijn die al volwassen zijn door hun innemende en serieuze levenswijze) zijn op de goede weg, niet alleen om hun eigen ziel te redden, maar ook om talloze andere zielen goed te doen.”

            Eijo y Garay ondersteunde het Opus Dei tegen laster niet alleen met zijn gezag. Hij toonde aan Escrivá en de leden van het Werk ook zijn persoonlijke vriendschap en genegenheid. Jaren later herinnert Escrivá zich vol dankbaarheid een van die uitingen: “(…) op een nacht, toen ik in bed net slaap begon te vatten – als ik sliep, sliep ik heel goed; ik ben nooit wakker geworden van de laster en het gekrakeel uit die tijd –, ging de telefoon. Ik nam op en hoorde: Josemaría… Het was Don Leopoldo, de toenmalige bisschop van Madrid. Hij had een heel hartelijke stem. Hij had me al vaak op dat uur gebeld, want hij ging laat, in de nachtelijke uren, naar bed en droeg de mis om elf uur ’s ochtends op.

            Wat is er?, antwoordde ik. En hij zei: ecce Satanas expedivit vos ut cribaret sicut triticum. Hij zal jullie door elkaar schudden en ziften, zoals men de tarwe schudt om het te zeven. Hij voegde eraan toe: ik bid voor jullie… Et tu… confirma filios tuos! En jij, bevestig je kinderen. En hij hing op.”

            Na het overlijden van de kardinaal-primaat van Toledo, dacht Escrivá dat het opkomen voor het Opus Dei door Eijo y Garay diens kans om de volgende primaat te worden zou ruïneren. Dit zei hij hem ook: “Monseigneur, verdedig mij niet verder, vergeet me. Want als u voor het Opus Dei blijft opkomen, verspeelt u de mijter van Toledo.” De bisschop van Madrid keek hem aan en antwoordde: “Josemaría, mijn ziel staat op het spel. Ik kan jou en het Opus Dei niet in de steek laten.” Jaren later zei bisschop Eijo tegen iemand van het Werk dat hij met de volgende woorden tot Jezus in het tabernakel bad: “Heer, al ben ik niets waard, als ik voor U kom te staan kan ik in ieder geval zeggen dat het Opus Dei in mijn handen geboren is en dat ik met deze handen Josemaría heb gezegend. Ik hoop dat dit mijn geloofsbrieven zullen zijn voor het Oordeel van God.”

 

Eerste goedkeuring van het Opus Dei

            Eijo y Garay besefte dat zijn publieke steunbetuiging niet afdoende was om de campagne tegen het Opus Dei te stoppen. Daarom besloot hij het Opus Dei een officiële schriftelijke goedkeuring te geven. Hij deelde zijn besluit mee aan Escrivá in maart 1940 en vroeg hem hiertoe een schriftelijk verzoek in te dienen samen met de nodige documentatie. Iedere jonge katholieke organisatie zou haast maken met het verkrijgen van zo’n schriftelijke bisschoppelijke goedkeuring. Dat was niet het geval met het Opus Dei.

            Het antwoord op het verzoek van Eijo y Garay liet op zich wachten omdat de bisschop het Opus Dei moest goedkeuren binnen de bestaande kaders van het toenmalige canonieke recht. De realiteit van het Werk, zoals Escrivá die had gezien op 2 oktober 1928 en zoals die zich nadien had ontwikkeld, paste echter niet in die kaders. Men zou zich misschien kunnen afvragen wat dat uitmaakt; de juridische vorm is toch minder relevant? Het gaat er toch om dat het Opus Dei werd goedgekeurd? De juridisch geschoolde Escrivá wist echter dat wanneer de wet niet in overeenstemming zou zijn met de praktijk, de wet een verstikkende werking op die praktijk zou hebben en deze in een verkeerde richting zou duwen.

            Escrivá had liever gewacht op een nieuwe juridische vorm waarin het Werk zou passen. Op dat moment was echter nodig om de kritiek te laten ophouden en de bisschop te gehoorzamen. Omdat er geen alternatieven waren, moest de minst slechte keuze worden gemaakt. Het toenmalige Wetboek van Canoniek Recht kende twee grote categorieën: de religieuze orden en congregaties met vergelijkbare instituten enerzijds en de verenigingen van gelovigen anderzijds.

            Het Opus Dei viel duidelijk niet onder de categorie van de religieuze orden en congregaties. Het wetboek verdeelde de verenigingen van gelovigen in derde orden, broederschappen en vrome verenigingen. Het Werk kon geen derde orde zijn omdat de leden van zo’n orde dan onder leiding van een of andere religieuze orde moesten staan en volgens de geest daarvan leven. Het ging ook niet om een broederschap; die werden opgericht voor de bevordering van de eredienst. Wat overbleef was de vrome vereniging, voorzien voor bepaalde devotionele praktijken en werken van naastenliefde.

            Er bestonden al vrome verenigingen, zoals de Vincentiusvereniging, maar die veronderstelden geen goddelijke roeping of verbintenis voor het leven. Ze beschikten evenmin over eigen geïncardineerde priesters. Ze hadden geen afgebakende spiritualiteit en boden hun leden geen geïntegreerde geestelijke en theologische vorming. Ondanks de duidelijke verschillen tussen het Opus Dei en deze verenigingen, waren het stichtingscharisma en de ontwikkeling van het Werk niet onverenigbaar met de vrome vereniging.

            Escrivá bestudeerde de kwestie diepgaand en raadpleegde deskundigen. Een lid van het Werk beschrijft wat hij eens zag: “De stichter zit in zijn kamer van het centrum Diego de León en tegenover hem Don José María Bueno Monreal, de toekomstige kardinaal-aartsbisschop van Sevilla en toentertijd expert in canoniek recht in het bisdom Madrid. Beiden hebben een Wetboek van Canoniek Recht in handen. Ze wisselen van gedachten over een mogelijke inpassing van het Werk in het wetboek, ook al gaat het om een tijdelijke oplossing op korte termijn.”

            Haast bij wijze van eliminatie kwam Escrivá bij de rechtsfiguur van de vrome vereniging uit. Op 14 februari 1941 diende hij het verzoek om goedkeuring in. Bisschop Eijo y Garay verleende de goedkeuring een maand later op 19 maart. De gekozen rechtsvorm was verre van ideaal, maar het was noodzakelijk een goedkeuring te verkrijgen. Zoals Escrivá het uitdrukte: er was sprake van toegeven zonder op te geven en met de wens om later te herstellen wat tijdelijk was toegegeven.

            Deze concessie hield niet in dat het Opus Dei iets anders vroeg dan wat het nu is. Integendeel, Escrivá vroeg niet aan de bisschop om het Werk canoniek op te richten, maar alleen te worden goedgekeurd als vrome vereniging, om toekomstige wijzigingen te vergemakkelijken zodra dat mogelijk was.

            Escrivá gaf de voorkeur aan een eenvoudige goedkeuring boven de canonieke oprichting. Het wetboek van 1917 bepaalde dat wanneer een vereniging van gelovigen canoniek werd opgericht, de vereniging rechtspersoonlijkheid zou verkrijgen en ook het recht op het dragen van een eigen naam en titel. Daarom had een opgerichte vereniging meer rechten dan een vereniging die alleen maar was goedgekeurd. Escrivá zag het Opus Dei als een familie binnen de Kerk, afgebakend door een gemeenschappelijke spiritualiteit, en niet zozeer als een groep of vereniging. Al in de begintijden nodigde Escrivá mogelijke leden uit niet om “ergens lid van te worden”, maar om gehoor te geven aan een persoonlijke roeping tot heiligheid en apostolaat die het hele leven zou omvatten. Dit verklaart waarom het Werk in het begin zelfs geen naam had. Vaak sprak hij volgelingen over projecten van geestelijk leven en apostolaat, maar hij had moeite om de naam “Opus Dei” te gebruiken. Doordat het Werk niet canoniek was opgericht, ook al vroeg de Kerk om een juridisch onderdak, kon Escrivá de nadruk leggen op wat belangrijk was: niet zozeer een organisatie met een bepaald aantal leden, maar een spiritualiteit die mensen in hun leven gestalte konden geven en aan anderen konden overbrengen.

            Om de ontoereikendheid van de juridische vorm van het Werk te compenseren, zorgde Escrivá ervoor om het wezen van het Opus Dei goed vast te leggen in de statuten en documenten die door de bisschop van Madrid werden goedgekeurd. Zo voorzagen de statuten dat de leden van het Opus Dei kerkelijke studies konden volgen en priester konden worden gewijd, terwijl dat niet was geregeld bij de vrome verenigingen.

            Dit was de eerste van de verschillende stappen die de stichter de jaren daarna zou zetten wanneer hij zich verplicht zag een keuze te maken uit bestaande kerkelijke rechtsvormen, hoewel die niet geheel geschikt waren. Telkens wanneer hij een nieuwe goedkeurig voor het Opus Dei vroeg, probeerde hij iedere verwarring te vermijden door de essentiële kenmerken van het Opus Dei te laten opnemen in de regeling die de Kerk voor het Werk zou goedkeuren.