CheckStat
Corebusiness van de lekengelovigen Heiliging van het leven door de dagelijkse arbeid
"Emmaus" jaargang, nr. 6 – nov.-dec. 2000, blz. 223 t/m 233:

Corebusiness van de gelovige: heiliging van het leven door de dagelijkse arbeid


   Bij de opening van het imposante hoofdkantoor van de ABN AMRO Bank in Amsterdam wist prins Claus zijn zakelijke gehoor te verrassen met een koekje van eigen deeg. Na zijn toespraak stelde hij over te gaan tot zíjn corebusiness: het doorknippen van linten. Dit voorval kan de aanzet zijn tot een nijpende vraag over kernzaken: welke is de corebusiness van de gelovige, die geabsorbeerd wordt door zijn of haar werk in de 24-uurs economie en de zorgen voor het gezin? Met andere woorden: hoe kan een christen de heiligheid van leven door middel van de dagelijkse bezigheden nastreven in een maatschappij die weinig oog heeft voor de geestelijke dimensie van de mens?

   In een retrospectief zal ik nagaan welke betekenis Schrift en traditie aan de menselijke arbeid toekennen; daarna welke rol het dagelijkse werk kan spelen in het zoeken naar heiligheid. Met name de geest van het Opus Dei herinnert eraan, dat iedere gelovige de christelijke volmaaktheid kan nastreven door middel van zijn dagelijkse arbeid en in de gewone levensomstandigheden. Ik zal mij in deze beschouwing laten leiden door teksten van de zalige Josemaría Escrivá, de stichter van het Opus Dei.

 Arbeid een straf?

    Vraagt men naar de betekenis van de arbeid in het Oude Testament, dan wordt vaak gewezen op een bekende passage uit Genesis. Na de zondeval wordt de mens uit het paradijs verdreven en tot de man zegt Jahwe: In het zweet zult ge werken voor uw brood (Gen. 3, 19). Arbeid als straf. Men vergeet dan echter dat de mens vóór de zondeval al tot de arbeid geroepen was. Door God werd hij in de tuin van Eden geplaatst ut operaretur et custodiret illum, om die te bewerken en te beheren (Gen. 2, 15). Het werk als opdracht van God. Exodus bevestigt deze opdracht: Zes dagen kunt gij werken, maar op de zevende dag moet ge uw werk laten liggen (Ex. 23, 12). En bij Jezus Sirach lezen we: Wees niet afkerig van zwaar werk en van de landarbeid, die door de Allerhoogste is ingesteld (7, 15). De taak om te arbeiden is na de val van de mens dus niet ingetrokken, ook al zal deze met inspanning gepaard gaan. Je zou kunnen zeggen dat de arbeid de eerste en blijvende roeping is, die God aan de mens heeft meegegeven.

   In het Oude Testament lijkt aan de arbeid geen verdergaande betekenis te worden toegekend. Dat deze kan worden beschouwd als deelname aan Gods werk in de schepping en in de geschiedenis komen we niet met zoveel woorden tegen.

 Verborgen leven van Christus

    Door mens te worden heeft Christus aan de aardse realiteiten een bovennatuurlijke betekenis gegeven. Dertig jaar lang vervulde Hij de wil van zijn Vader door als zoon van de timmerman (Mat 13,55) door het leven te gaan. Josemaría Escrivá hechtte veel waarde aan deze dertig verborgen jaren van Jezus in de werkplaats: Door als een van ons op te groeien en te leven openbaart Hij ons dat het menselijk bestaan, dat het gewone alledaagse doen een goddelijke betekenis heeft. Hoe dikwijls we deze waarheid ook hebben overwogen, steeds moet de gedachte aan de dertig jaar van zijn verborgen leven ons in verbazing brengen; die dertig jaar die het grootste deel vormen van zijn verblijf onder zijn broeders, de mensen. Jaren in de schaduw, maar voor ons helder als het zonlicht. Of beter: stralende jaren die onze dagen verhelderen en er de ware betekenis aan geven. Want wij zijn gewone christenen die een normaal leven leiden zoals miljoenen mensen overal op de wereld. Dertig jaar lang leefde Jezus, als fabri filius (Mat. 13, 55), als zoon van een timmerman. Dan pas volgen de drie jaar van zijn openbaar leven tussen een rumoerige menigte. De mensen vragen zich verwonderd af: Wie is deze mens? Waar weet Hij dat alles van? Want Hij was immers een van hen, leidde het leven van de mensen in zijn land. Hij was de faber, filius Mariae (Mar. 6, 3), de timmerman, de zoon van Maria. En Hij was God, die op het punt stond het menselijk geslacht te verlossen en alles tot zich te trekken (Joh. 12, 32)[1].

    Heel het leven van Christus dient als voorbeeld voor ons. Het is voor het leeuwendeel van de gelovigen niet weggelegd in het openbaar op te treden om het geloof te verkondigen, zoals Christus dat de laatste jaren van Zijn leven deed. Voor hen is zijn leven als werkman een belangrijke leidraad. Hij geeft hiermee aan dat wij Hem kunnen ontmoeten in het gewone leven, waarin het dagelijkse werk een belangrijke plaats inneemt. Na de genezing van een lamme op de sabbat zegt Jezus: Mijn Vader is tot op de dag van vandaag voortdurend aan het werk, en ook Ik houd niet op met werken (Joh. 5, 17).

   In de evangeliën treffen we andere voorbeelden waarin de arbeid een gelegenheid is om aan de plannen van God mee te werken. Denk aan de parabel van de talenten: Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer. (Mat. 25, 21).

   Paulus vermaant met juiste intentie te werken: Verricht uw werk welgemoed voor de Heer, niet voor de mensen (Kol. 3, 23), en spoort aan tot een arbeidzaam leven: Stelt er een eer in rustig uw eigen zaken te behartigen en met eerlijke arbeid in uw onderhoud te voorzien (1 Tess. 4, 11); Ook toen wij bij u waren, hielden wij u telkens deze regel voor: als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten. Wij hebben namelijk gehoord, dat sommigen bij u werkeloos rondhangen, alle moeite schuwen, maar wel zich met alles bemoeien. In de naam van de Heer Jezus Christus gebieden en vermanen wij zulke mensen, dat zij regelmatig moeten werken en hun eigen kost verdienen (2 Tess. 3, 10-12). Paulus gaf hierin een voorbeeld. In Korinte bezocht hij Aquila en Priscilla en omdat zij hetzelfde vak uitoefenden – zij waren van beroep tentenmakers – bleef hij bij hen wonen en was er werkzaam (Hand. 18, 3). Zo kon hij zeggen: Gij weet zelf, dat deze handen voorzien hebben in mijn eigen behoeften en in die van mijn gezellen (Hand. 20, 34).

   Het is een zelfde geest die wij tegenkomen in de eerste geschriften van de christelijke traditie. De Didaché geeft als richtlijn voor de opvang van pelgrims: Als hij die komt slechts op doorreis is, help hem dan zoveel ge kunt; maar hij moet niet langer dan twee of drie dagen bij u blijven. Indien hij zich echter bij u wil vestigen en hij kent een vak, laat hem dan werken en daarvan eten. Maar als hij geen vak kent, zorg er dan voor dat hij niet als een lui christen onder u leeft. Wacht u voor degenen, die gewin zoeken uit hun christen-zijn (12, 2-4).

 Ora et labora 

   Door de verborgen arbeid van Jezus in herinnering te brengen, heeft Escrivá het belang aangegeven van het dagelijkse werk voor de heiliging van de gelovigen. We raken hiermee echter nog niet de kern van de geest van het Opus Dei. De arbeid is immers ook een belangrijk element in andere spiritualiteiten binnen de Kerk. Zo kennen we de bekende Benedictijnse regel Ora et labora. Welke rol speelt de arbeid in de monastieke spiritualiteit? Het werk wordt niet zozeer gezien als een te heiligen realiteit op zich, maar als een noodzakelijk middel om in het levensonderhoud te voorzien of om liefdadigheid te beoefenen; voorts als een ascetisch instrument tegen de ledigheid, de moeder aller ondeugden. Thomas van Aquino verwoordt de noodzaak om te werken als ad otium tollendum (het wegnemen van lediggang)… ad corpus domandum (het bedwingen van het lichaam)… ad quaerendam victum (het verschaffen van voedsel).[2] Deze instrumentele functie van de arbeid komt op sprekende wijze tot uitdrukking bij Casianus. In zijn tractaat over de luiheid vertelt hij de geschiedenis van Paulus de Heremiet. Het was voor hem niet nodig dat hij werkte, noch voor zijn levensonderhoud, noch om aalmoezen te geven. Hij voedde zich namelijk met een kleine moestuin die hij daar had en woonde te ver weg van de bewoonde wereld. Daarom legde hij zichzelf op om, als middel tegen nietsdoen, rieten manden te vlechten. Aan het einde van het jaar stapelde hij ze op elkaar om ze te verbranden en weer opnieuw te beginnen.[3]

   We moeten dit voorbeeld uiteraard niet generaliseren en als illustratief voor het religieuze leven beschouwen. De monastieke activiteit was steeds verbonden met haar omgeving en vervulde als zodanig een belangrijke sociale functie. Feit is echter wel, dat de fuga mundi, het verzaken aan de wereld, tot de kern van de religieuze staat behoorde. De zaken van de wereld, zoals de arbeid en het huwelijk, werden veeleer als een belemmering gezien om de christelijke volmaaktheid na te streven.

   De middeleeuwse geest was hiervan doordrongen. Thomas a Kempis schrijft: Want eten, drinken, waken, slapen, rusten, werken en onderhevig zijn aan de verdere onvermijdelijkheden van onze natuur is waarlijk een grote ellende en een diep verdriet voor de geestelijke mens, die er zo graag los en vrij van alle zonde zou zijn.[4] Teresia van Avila vertelt over haar vader bij zijn overlijden: Wenend zei hij ons, dat het hem innig speet, zichzelf niet aan de dienst van God te hebben toegewijd, dat hij een kloosterbroeder zou willen wezen en zou wensen, behoord te hebben tot de strengste orde, die er bestond.[5]

   Hoe anders wordt het huwelijk nu gewaardeerd. De zalige Escrivá zegt in zijn homilie “Het huwelijk, een christelijke roeping”: Het huwelijk is voor een christen geen puur maatschappelijke instelling en nog veel minder alleen maar een geneesmiddel voor de menselijke zwakheid. Het huwelijk is een waarachtig bovennatuurlijke roeping. Een groot sacrament in Christus en in de Kerk, zoals Paulus zegt. (…) De gehuwden zijn geroepen om hun  huwelijk te heiligen en zichzelf door deze verbintenis te heiligen. Het gezinsleven, de echtelijke omgang, de zorg voor de kinderen, hun opvoeding, de inspanning om het gezin te onderhouden en er een gezonde financiële basis voor te verschaffen, het sociale contact met andere mensen: dit alles, zo menselijk en gewoon, is het wat de christelijk gehuwden moeten verheffen tot het bovennatuurlijk vlak. (…) De zuivere en schone liefde van de echtgenoten is een heilige werkelijkheid, die ik als priester met beide handen zegen[6]. Genoemde “zaken van de wereld” zijn geen hindernis, maar veeleer een aanleiding om de vereniging met Christus te zoeken.

   Voor een goed begrip is het van belang te beseffen, dat het woord “wereld” verschillende betekenissen kan hebben: een socio-antropologische, oftewel de wereld als geheel van instellingen, relaties en ambities waarin de mens gewoonlijk leeft, en de bijbels-soteriologische, oftewel de wereld als een toestand waarin de zonde regeert en die daarom verlossing nodig heeft. Het door elkaar halen van beide betekenissen kan met name wat ons onderwerp betreft tot misverstand leiden. Vanzelfsprekend dient elke gelovige de wereld in de laatste betekenis te vermijden. Dit geldt echter niet voor de wereld in de eerste zin – met uitzondering van degenen die specifiek geroepen zijn zich daaruit terug te trekken. De wereld is op zich niet zondig, maar een realiteit die door de werking van de genade geheiligd kan worden. Ik zal derhalve niet ophouden te herhalen dat de wereld geheiligd kan worden, en dat in het bijzonder aan ons christenen deze opdracht is toevertrouwd: de wereld te zuiveren van de verlokking tot zonde, waarmee wij mensen haar bezoedelen. Dan kunnen wij haar aan de Heer opdragen als een geestelijk offer, omdat zij dit door de genade van God en onze inspanning waardig is geworden.[7]

 Humanisme en Reformatie 

   Als we de draad van de geschiedenis verder oppakken, zien we in de renaissance een hernieuwde belangstelling voor het thema van de menselijke arbeid. Het zijn mensen als Thomas More en Erasmus die zich inspannen om het christelijke denken ingang te doen vinden in de opkomende wereldse stromingen. Deze hernieuwde belangstelling wordt doorkruist door de opkomst van de Reformatie.

   Zowel Luther als Calvijn spreken over beroep en werk. Luther bestempelde de arbeid als een goddelijke dienst. Beiden verbonden de arbeid met het scheppingswerk: God die Zijn activiteit voortzet in de werkende mens. Verder komen zij echter niet. De protestantse opvatting over de erfzonde maakt het niet mogelijk de arbeid te zien als een te heiligen werkelijkheid. De val van de mens heeft een algeheel bederf van de menselijke natuur tot gevolg, waardoor hij voor God geen verdienstelijke werken kan verrichten, ook niet wanneer hij in staat van genade leeft. Dit is de leer van de sola fides, het heil door het geloof alleen en niet door de werken.

   Een belangrijk vertegenwoordiger van het katholicisme in de 17e eeuw is de bisschop van Genève, Franciscus van Sales. Door zich te richten tot de gewone gelovige zet hij een grote stap voorwaarts: Bijna al mijn voorgangers hebben met hun geschriften over de godsvrucht vooral die mensen van dienst willen zijn, die zich reeds uit het rumoer van de wereld hadden teruggetrokken, ofwel zij hebben een soort godsvrucht op de voorgrond geplaatst, die leidt tot een verzaken aan de wereld. Ik ben echter juist van plan die mensen te helpen die in de stad wonen, die een huishouden hebben of die aan het hof vertoeven, en die dus door hun levensstaat verplicht zijn een naar het uiterlijk alledaags leven te leiden[8]. De levensstaat van de gelovige midden in de wereld is geen belemmering voor het zoeken naar de christelijke volmaaktheid. Kardinaal Albino Luciani, de latere paus Johannes Paulus I, merkt evenwel op: Franciscus raadt bijna altijd de leken dezelfde middelen aan die door de religieuzen worden gebruikt, weliswaar met aangepaste wijzigingen. Escrivá is veel radicaler: hij spreekt zelfs over het “materialiseren” – in de goede zin – van de heiligheid. Voor hem is het de materiële arbeid zelf die omgezet dient te worden in gebed en heiligheid[9].

 Van het dagelijkse proza heldendichten maken

    Wat moeten wij verstaan onder het “materialiseren” van de heiligheid? Dit houdt in alle, en met name de meest gewone dingen, uit liefde tot God en de medemens te doen. Dan is het mogelijk God te ontmoeten in de situaties van elke dag. Ik verzeker jullie dat, als een christen de onbenulligste kleinigheid van elke dag met liefde doet, die kleinigheid met de grootheid van God vervuld wordt. Dat is de reden waarom ik er steeds maar weer op hamer, dat de christelijke roeping erin bestaat van het proza van elke dag heldendichten te maken. Hemel en aarde lijken aan de horizon een te worden. Maar in werkelijkheid gebeurt dat in jullie harten, wanneer jullie je dagelijks leven op heilige wijze leiden. (…) God roept jullie om Hem juist in en vanuit de burgerlijke, materiële, wereldlijke taken van het menselijke leven te dienen; in het laboratorium, in de operatiezaal, in de kazerne of op de leerstoel van een universiteit, in de fabriek, in de werkplaats, op het land, in de huishouding, in heel dit immense panorama van het dagelijks werk wacht God elke dag weer op ons. Besef het goed: in elke situatie, hoe alledaags ook, is iets heiligs, iets goddelijks te vinden. Aan jullie de taak dat te ontdekken.[10] In dit licht maakt het beroep – je zou dit een menselijke roeping kunnen noemen – een belangrijk deel uit van de bovennatuurlijke roeping van iedere gelovige tot heiligheid en apostolaat. Dit komt ook tot uitdrukking in Vaticanum II: De eigen roeping van de leken ligt hierin, dat zij het rijk van God zoeken juist door de tijdelijke aangelegenheden te behartigen en volgens de wil van God te regelen. Zij leven in de wereld, met name in alle mogelijke wereldlijke beroepen en werken, in de gewone levensomstandigheden van familie en maatschappij: hun bestaan zelf is daarvan als het ware doorweven. Dáár zijn zij door God geroepen. (Lumen gentium, nr. 31). Dit is de “corebusiness” van de lekengelovigen. Het bewustzijn dat hier hun roeping ligt, behoedt hen voor twee verleidingen, waarvoor paus Johannes Paulus II waarschuwt: de verleiding om de belangstelling zo sterk te richten op de kerkelijke diensten en taken, dat zij vaak vervallen zijn in praktische onverschilligheid voor hun specifieke verantwoordelijkheid in de wereld van beroep, maatschappij, economie, cultuur en politiek, en de verleiding om de onrechtmatige scheiding tussen geloof en leven, tussen de aanvaarding van het evangelie en de concrete actie in de meest verschillende tijdelijke en aardse realiteiten, te rechtvaardigen (Christifideles laici, nr. 2). Over het gevaar van het leiden van een “dubbelleven” zegt de paus verder: Er mogen in hun bestaan niet twee parallelle levens zijn: enerzijds het zogenaamde “geestelijke” leven met zijn waarden en eisen; anderzijds het zogenaamde “wereldlijke” leven of het leven van gezin, werk, sociale relaties, politiek engagement en cultuur. De rank welke verbonden is met de wijnstok die Christus is, draagt zijn vruchten in iedere sector van de activiteiten en van het bestaan (nr. 59). Met andere woorden: de lekengelovigen zijn geroepen christenen uit één stuk te zijn. Escrivá drukte dit uit met het begrip “eenheid van leven”.

 De arbeid heiligen, zich in de arbeid heiligen, anderen door de arbeid heiligen

    Hoe kan het dagelijkse werk deel uitmaken van deze “eenheid van leven”? Het ideaal dat ons wordt voorgehouden behelst niet alleen een min of meer geslaagde afstemming tussen het beroeps- en het geloofsleven, tussen werk en gebed, maar een vereniging tussen beide realiteiten; zodanig dat de arbeid het gebed voedt en het gebed de arbeid doordrenkt. Beter gezegd: dat het werk wordt omgevormd tot gebed, zonder afbreuk te doen aan de menselijke eisen van goed verrichte arbeid. We raken hier de kern van de geest van het Opus Dei. Is God en Zijn genade de bron van alle heiligheid, de arbeid – die een beslissende plaats in ons leven inneemt – is de spil waaraan de tot ons gerichte oproep tot heiligheid is bevestigd en ronddraait[11]. Escrivá vat de opdracht om de heiligheid te zoeken door middel van het dagelijkse werk samen met de uitdrukking: de arbeid heiligen, zich in de arbeid heiligen en anderen door de arbeid heiligen[12], waarbij hij de arbeid niet beperkt tot beroepswerk in de strikte betekenis, maar er elke eerlijke menselijke activiteit onder verstaat. Voorts dienen uitdrukkingen als “zich heiligen” of “anderen heiligen” uiteraard niet te worden verstaan in pelagiaanse zin, maar in de betekenis van zich openstellen voor en meewerken aan de genade.

   De arbeid heiligen houdt in, het op een zo volmaakt mogelijke wijze te verrichten: Menselijk volmaakt, dat betekent met vakbekwaamheid, en christelijk volmaakt, dat wil zeggen uit liefde tot de goddelijke wil en ten dienste van de medemens. Want als het zo gedaan wordt, draagt de menselijke arbeid, hoe schijnbaar nederig en onbeduidend ook, ertoe bij de tijdelijke realiteit op christelijke wijze vorm te geven en de goddelijke dimensie ervan te openbaren. Zo wordt het werk opgenomen en geïntegreerd in het wonderbare werk van de schepping en verlossing van de wereld. Zo wordt het verheven tot het bovennatuurlijke niveau van de genade, het wordt geheiligd en het verandert in het werk van God, in operatio Dei, in Opus Dei[13]. Elders zegt de zalige Josemaría: Leg een bovennatuurlijk motief in de uitoefening van je beroep en je zult je werk geheiligd hebben[14]. Dit doen we ook als we in het ochtendgebed bidden: Ik draag U alle werken op, die ik deze dag zal verrichten. Ik wil ze doen tot Uw eer en tot zaligheid van mijn ziel. Het betekent alle bezigheden als een offer aan God op te dragen, uit liefde tot Hem en tot onze naasten. En we beseffen goed, dat we God geen broddelwerk kunnen aanbieden: Dieren met een gebrek moogt gij niet aanbieden; dan schept Jahwe geen behagen in u (Lev. 22, 20). Daarom dient het werk met vakbekwaamheid gedaan te worden, hetgeen zich uit in concrete details. Zoals iemand mij toevertrouwde: “Sinds mijn moeder van het Opus Dei is, kookt ze lekkerder”. Dit veronderstelt inzet op het gebied van de menselijke deugden, waaronder doorzettingsvermogen, eerlijkheid en vriendelijkheid. Escrivá sprak wel over het leggen van de laatste steen, om aan te geven dat we niet alleen met enthousiasme aan nieuwe taken moeten beginnen, maar ze ook met volharding afmaken. Het gaat erom met offergeest te werken. Om een voorbeeld te geven: cursussen in timemanagement spreken wel van de DERK-methode: Doe Eerst Rot Klussen. In de christelijke ascese noemen we dit gewoon versterving.

   Door met vakbekwaamheid en in een geest van offer en dienstbaarheid te werken, heiligen wij de arbeid. En het op deze wijze serieus nemen van de dagelijkse activiteiten is de weg naar de persoonlijke heiligheid: Je schrijft me terwijl je in de keuken zit, bij het fornuis. Het wordt avond. Het is koud. Naast je zit je jongere zus aardappelen te schillen. Als laatste van jullie heeft ook zij de “goddelijke dwaasheid” ontdekt om haar christelijke roeping op totale wijze te beleven. Ogenschijnlijk – denk je – is haar werk hetzelfde als van vroeger. En toch, er is zo’n groot verschil! Dat is waar: vroeger deed ze niets anders dan aardappels schillen; nu heiligt ze zich door aardappels te schillen…[15]. Het werk als aanleiding om de omgang met God, de beschouwing, te zoeken. Voor iemand die op deze wijze de heiligheid nastreeft, is er geen tegenstelling tussen het actieve en het contemplatieve leven, want de actie is contemplatie en vice versa. Laten we werken, veel en goed werken, zonder dat we uit het oog verliezen dat ons beste wapen het gebed is. Daarom word ik niet moe te herhalen dat wij contemplatieve zielen midden in de wereld moeten zijn, die van hun werk gebed proberen te maken[16]. Je hebt me eens gezegd, dat je net een klok bent die van slag is, en op de verkeerde ogenblikken slaat: je bent leeg, koud en dor tijdens het bidden; daarentegen ontdek je op momenten waarop je het ’t minst zou verwachten, op straat, midden in je dagelijkse bezigheden, in de drukte en het geroezemoes van de stad, of in de stilte van je intense beroepsarbeid, tot je verbazing dat je aan het bidden bent…Op de verkeerde ogenblikken? Kan zijn, maar laat die slagen van je klok in ieder geval niet onbenut…De geest waait waar Hij wil[17].

 Voorbeeld geven door het beroepsleven 

   De arbeid heiligen door het menselijk en bovennatuurlijk zo goed mogelijk te doen; zich in de arbeid heiligen door het werk als gelegenheid te benutten voor een contemplatief leven midden in de wereld. Blijft over: anderen door de arbeid heiligen, oftewel het dagelijks werk als apostolaat. Laten we de vergissing vermijden te denken, dat apostolaat zich beperkt tot het getuigenis van enkele vrome praktijken. U en ik, wij zijn christen, maar tegelijkertijd en zonder discontinuïteit, burgers en werkers, met duidelijke verplichtingen die we nakomen op een voorbeeldige wijze, als we ons werkelijk willen heiligen. Het is Jezus Christus die bij ons aandringt: Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt! Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn. Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is (Mat. 5, 14-15). Uw beroepsarbeid – welke dan ook – verandert in een lamp die uw collega’s en vrienden verlicht[18]. Het christelijk getuigenis is geen praktijk in de marge of gescheiden van de seculiere of beroepsactiviteiten van de gelovigen, maar speelt zich af in het hart van het gewone leven. Jouw apostolaat moet zijn als het overvloeien van je leven “van binnen”[19]. Dit leven van omgang met God, doet het verlangen opborrelen over Hem te spreken, Hem bekend te maken en een goed voorbeeld te geven naar de mensen om ons heen. Als wij volgens de Liefde leven, beoefenen wij alle natuurlijke en bovennatuurlijke deugden van de christen. Deze vormen tezamen een eenheid en zijn niet beperkt tot een telbare lijst. De liefde vereist het in praktijk brengen van rechtvaardigheid, gemeenschapszin, verantwoordelijkheid voor gezin en maatschappij, onthechting, vreugde, kuisheid, vriendschap enzovoorts. Men ziet onmiddellijk dat het beoefenen van deze deugden vanzelf tot het apostolaat leidt, ja, het is al apostolaat. Want als je zo probeert midden in het dagelijkse werk te leven, wordt het christelijk gedrag meteen een voorbeeld, een getuigenis, een concrete en doeltreffende hulp. Je leert de voetsporen te volgen van Christus, die bij zijn voorbeeld ook het woord voegde: coepit facere et docere (Hand. 1, 1), Hij begon te doen en te onderwijzen. Daarom heb ik dit werk al meer dan veertig jaar het apostolaat van vriendschap en vertrouwen genoemd[20]. De woorden die op het juiste moment in het oor van een wankelende vriend worden gefluisterd; het oriënterend gesprek dat je op passende wijze wist uit te lokken; en de deskundige raad die zijn werk aan de universiteit zal verbeteren; alsook de discrete indiscretie, waardoor je voor hem onvermoede horizonten van apostolische ijver ontsluit…Dit alles vormt het “apostolaat van het vertrouwelijk gesprek”[21]. Het spreken over God, het uiteenzetten van de goddelijke betekenis van het leven, het aan de ander doorgeven van het ontvangen geloof verstrengelt zich aldus met de dagelijkse activiteiten van de gelovige, vindt zijn steunpunt in het werk en in de sociale relaties. Als wij zo handelen, zullen wij getuigenis geven door ons eenvoudig en gewoon leven tegenover allen om ons heen. Een leven dat weliswaar de beperkingen en gebreken vertoont, die eigen zijn aan ons menselijk wezen, maar dat toch consequent is. En wanneer mensen ons als gelijken zien, dan zullen zij zich verplicht voelen ons te vragen: Vanwaar deze vreugde van jullie? Waar halen jullie de kracht vandaan om het egoïsme en de gemakzucht te overwinnen? Wie leert jullie om tegenover anderen vol begrip te staan, een eerlijke samenleving tot stand te brengen, de overgave, de dienstbaarheid? Dan is het moment aangebroken om hun het goddelijk geheim te onthullen van het christelijk bestaan[22].

 In zijn encycliek Laborem exercens pleit Johannes Paulus II voor de vorming van een spiritualiteit van de arbeid, om alle mensen te helpen daardoor dichter tot God, de Schepper en Verlosser te komen, aan zijn heilsplan met de mens en de wereld deel te nemen en in hun leven de vriendschap met Christus te verdiepen door vanuit het geloof ijverig deel te nemen aan zijn drievoudige zending van priester, profeet en koning (nr. 24). Het in deze richting ontwikkelen van een theologie van de arbeid kan een belangrijk hulpmiddel zijn in de evangelisatie van de huidige maatschappij, waartoe dezelfde paus heeft opgeroepen.

 Mr. Eugen GRAAS


[1] J. Escrivá, Als Christus nu langskomt, Venlo 1978, nr. 14.

[2] Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II.2 q. 187 art. 3.

[3] Joannes Casianus, De institutis coenobiorum, X, 24.

[4] Thomas a Kempis, De navolging van Christus, I, 22, 13.

[5] Teresia van Avila, Mijn leven, VII, 23.

[6] J. Escrivá, Als Christus nu langskomt, nr. 23, 24.

[7] J. Escrivá, Als Christus nu langskomt, nr. 120.

[8] Franciscus van Sales, Inleiding tot het devote leven, voorwoord.

[9] A. Luciani,  “Cercando Dio nel lavoro quotidiano”, in Il Gazzettino, Venetië 25.7.1978.

[10] Gesprekken met Mgr. Escrivá, nr. 116; nr. 114.

[11] Vgl. J. Escrivá, Vrienden van God, Utrecht 1994, nr. 62.

[12] Vgl. o.a. Als Christus nu langskomt, nr. 46; Vrienden van God, nr. 9; Gesprekken met Mgr. Escrivá, nr. 70.

[13] Gesprekken met Mgr. Escrivá, nr. 10.

[14] J. Escrivá, De Weg, Utrecht 1989, nr. 359.

[15] J. Escrivá, De Voor, Utrecht 1990, nr. 498.

[16] Ibid, nr. 497.

[17] De Weg, nr. 110.

[18] J. Escrivá, Vrienden van God, nr. 61.

[19] De Weg, nr. 961.

[20] Gesprekken met Mgr. Escrivá, nr. 62.

[21] De Weg, nr. 973.

[22] Als Christus nu langskomt, nr. 148.