CheckStat
Celibaat

CELIBAAT EN LIEFDE

Mw. Dr. Jutta Burggraff

 

1. Is het mogelijk het celibaat te beleven?

Vandaag wil ik een controversieel onderwerp behandelen: het celibaat. Onlangs zag ik op tv een forumdiscussie met een bekende psycholoog die zich met een bezorgde gelaatsuitdrukking afvroeg of het tegenwoordig nog wel mogelijk is om het celibaat te beleven. Op de vraag of je een moderne man of vrouw mag vragen om het celibaat te beleven antwoordde hij: ‘Er zijn mensen die het celibaat beleven. En juist die beleving is het beste bewijs’.

Ook heden ten dage zijn er mensen die hun geluk vinden in het christelijk celibaat. Ondanks de golf van seksualiteit en egoïsme waarmee de media ons overspoelen. Tegen alle Freudiaanse waarschuwingen in en ondanks alle publicaties over het schandalige seksueel gedrag zowel binnen als buiten de Kerk, zijn er nog altijd vele duizenden mensen die  het celibaat volgens het evangelisch ideaal beleven en innerlijk vrij en zelfstandig zijn en die beminnen met een sterke, moedige en ‘rebelse’ liefde.

Ik ben ervan overtuigd dat het celibaat ook in het derde millennium beleefd kan worden. Hoe meer taboe er op rust en hoe meer het celibaat belachelijk wordt gemaakt en op groteske wijze wordt voorgesteld, des te belangrijker lijkt het mij erover te spreken en het de plaats te geven die het binnen het christendom heeft. Dit is wat ik in dit artikel zal proberen te doen. Ik neem me voor in grote lijnen de diepe zin van het vrijwillig celibaat voor vrouwen en mannen in deze tijd uiteen te zetten.

 

2. Waarde van het huwelijk

Allereerst moet duidelijk gesteld worden dat celibaat en huwelijk niet elkaars tegenpool zijn. Voor het grootste deel van de mensen is het huwelijk de meest gepaste leefwijze om gelukkig te zijn, ondanks alle moeilijkheden die kunnen ontstaan. In het huwelijk beleeft men de menselijke liefde en bereikt men een heel diepe en intieme persoonlijke overgave aan de partner.  Deze verbintenis houdt wezenlijk zowel de fysieke als de geestelijke dimensie van de mens in. Fundamenteel in het huwelijk is de wederzijdse overgave, zonder reserves, met een persoonlijke en integere liefde. Het is samenleven met de ander, een gemeenschappelijk bestaan opbouwen, een taak in medeverantwoordelijkheid ten uitvoer brengen. Door de huwelijksbelofte kiezen  man en vrouw voor elkaar. De belofte van twee christenen tegenover God verenigt hen niet alleen met elkaar maar tegelijkertijd ook in zekere zin met Jezus Christus. Gehuwde christenen leven niet (alleen) voor elkaar maar voor Christus. In hun huwelijksliefde beminnen ze ook Christus. Hoe meer verenigd ze zijn onder elkaar, des te meer zijn ze  verenigd met Christus. Hun vereniging is een sacrament, een van de zeven mysterievolle bronnen van de deelname aan het goddelijk leven.

Het huwelijk is derhalve een weg naar God. Om deze reden is ook het celibaat in de authentieke traditie van de kerk nooit verstaan als een vermindering of verlaging van het huwelijk. We kunnen het manicheïsme niet accepteren dat zowel in het lichamelijke als in de voortplanting iets slechts zou zien[1]. De gevoelloze mens is nooit een christelijk ideaal geweest. Wie niet in staat is hartstocht, verlangens of gevoelens te hebben lijdt aan een tekort, want hij of zij zou een fundamenteel vermogen missen van de menselijke natuur. Het celibaat heeft hier niets mee te maken. In het celibaat neemt men vrijwillig afstand van iets wat overeenkomstig de wil van de Schepper naar het huwelijk leidt[2]. De noodzaak om zich volledig aan een ander te geven is veel dieper dan de louter seksuele drift. Misschien zou men in plaats van ‘afstand nemen’ moeten spreken van een offer. Wanneer de mens die voor het celibaat kiest aan het huwelijk ‘verzaakt’ draagt hij of zij[3]een heel concreet en persoonlijk offer op aan God. In geen geval is het een minachting van het huwelijk. Bij alle godsdiensten geldt immers dat wat aan God opgeofferd wordt het meest waardevolle is en niet wat slecht of mislukt is.

Net zoals een mens in staat is om voor het huwelijk te kiezen heeft hij ook het vermogen om niet te trouwen. Op deze manier is het celibaatsleven niet alleen een ‘levensstaat’ maar ook een waarde op zich. Het celibaat is een ‘andere’ mogelijkheid, een ‘andere’ weg waarlangs de mens de volheid kan bereiken.

 

3. Liefde tot Christus

Het celibaat dient niet slechts op negatieve wijze gedefinieerd worden. Als we het louter beschouwen als een verzaking of ontkenning begrijpen we niets van de schoonheid en grootsheid van het christelijk celibaat. Het is te vergelijken met de perceptie van iemand die van een tuin alleen maar het hek ziet, of die bij tennis slechts denkt aan de spierpijn die het kan veroorzaken.

Wie voor het celibaat kiest, kiest niet voor een kil en cru bestaan. Integendeel, hij kiest voor een gemeenschap van een bijzondere liefde: de liefde voor Christus en zijn Kerk om zo de mogelijkheid te hebben om heel zijn liefde tot God te richten.

Uiteraard verzaakt men aan een bepaalde vorm van de verwezenlijking van de menselijke liefde maar die verzaking dient een grotere liefde. De waarde van onze liefde en van onze inspanning hangt vooral af van degene die we beminnen en voor wie we die inspanning doen! In dit geval is God het onmiddellijke doel van onze liefde. De Heilige Augustinus spoort de gewijde maagden aan: “Als jullie een grote liefde aan jullie echtgenoten verschuldigd zouden zijn, hoeveel temeer zijn jullie dan niet Hem verplicht omwille van wie jullie geen echtgenoot hebben?”[4]. Opdat het celibaat is wat het behoort te zijn moet het een levensgemeenschap met God, een bewuste overgave aan God zijn. Naar buiten toe lijkt het een afstand nemen van. In feite is het een intiem en voortdurend gebed [5].

Zoals we weten steunt het huwelijk ook op het mysterie van het verbond van Christus met zijn Kerk. Het huwelijk is niet hetzelfde als dit verbond maar wel een afspiegeling ervan. Door de beslissing om het celibaat te beleven bevinden man en vrouw zich in zekere zin ingelijfd in het mysterie van deze bruid-bruidegom relatie[6]. Het mysterium caritatis dat in het huwelijk alleen maar geïnsinueerd wordt past rechtstreeks in het celibaatsleven en laat een volheid toe die ver boven het natuurlijk niveau uitstijgt. De celibatair levende man of vrouw beleeft een volledige overgave aan en een directe relatie met een Jij, die zonder menselijke tussenpersoon gepaard gaat. Als personen verenigen ze zich met de levende en aanwezige Christus in een directe en onmiddellijke relatie met God alleen. Paus Johannes Paulus II zegt het duidelijk: “Alles achterlaten en Christus volgen kan niet vergeleken worden met het simpele ongehuwd of celibatair blijven, want de maagdelijkheid beperkt zich niet tot een nee. De maagdelijkheid bevat een diep ja in de orde van het bruid-zijn: de overgave uit liefde op totale en onverdeelde wijze” [7]. Wie het celibaat beleeft doet dat omdat hij ontdekt heeft dat God hem zelf bemint en hij beantwoordt aan deze goddelijke liefde met alle energie van ziel en lichaam. “ De mens die zich zo door God bemind weet geeft zich alleen aan Hem over”[8]. Zijn navolging van Christus is radicaal Het christelijk celibaat heeft niets te maken met vrijgezel zijn, wellicht onvrijwillig en als een last gedragen. Zoals de christelijke deugd van de armoede niets met een werkelijk pijnlijke ongewilde misère te maken heeft.

In enkele milieus acht men het modern om dergelijke gedachten als een extravagant idealisme te beschouwen. Toch mag dat ons niet verlammen. We moeten voor ogen houden dat bij het begin van de ‘apostolische expansie’ tijdens de eerste eeuwen van het christendom het vanzelfsprekend was dat veel mensen voor het celibaat kozen[9]. In de jonge Kerk werd het celibaat beschouwd als een lichtende geloofsgetuigenis die vergelijkbaar was met het martelaarschap. Men zag daarin een uiting van de liefde tot Christus en van de vitaliteit van het volk van God.

 

4. Ter wille van het Rijk der hemelen

Vaak beschouwt men het celibaat als een ‘ongehuwde staat ter wille van het rijk der hemelen’. Dit betekent dat degene die voor de liefde van God kiest op deze wijze het rijk van God manifesteert. De mens neemt alvast in zijn tijdelijke bestaan wat alle mensen na de toekomstige verrijzenis gegeven zal worden[10]. “Na de verrijzenis zullen ze niet huwen en ze zullen zijn zoals de engelen in de hemel” (Mc. 12,25). Op deze wijze wordt de celibatair een profetische getuige van de tijd in die toekomstige wereld waarin de rechtvaardigheid woont[11].

Een christen leeft met zijn blik op de toekomst gericht en oriënteert zich naar een toekomst die niet beter kan zijn: de hemel. De hemel is de volheid van het goede waarin de mens tijdens zijn aardse leven alleen maar kan participeren. De hemel is bij wijze van spreken de volheid van de goddelijke beloning[12]. Om deze reden kun je zeggen dat “geluksverlangen, hoopvol optimisme en de vreugde van de grootsheid van geest niet alleen maar  tot het christendom behoren. Ze bepalen ook volledig de christelijke werkelijkheid, zoals het perspectief en de oriëntatie naar voren en de dageraad van een lang verwachte dag”[13].

De christen heeft geen reden om neerslachtig, bedroefd of ontmoedigd te zijn. Hij heeft ook geen reden om zich tevreden te stellen met de status quo en de dingen maar te accepteren zoals ze zijn, zonder enige hoop ze te veranderen.

Desalniettemin toont degene die voor het celibaat kiest niet alleen een toekomstige wereld, maar hij getuigt er vooral van dat de toekomst al hier en vandaag begonnen is. Hopen in christelijke zin betekent niet zozeer dat men zich richt tot iets wat zou kunnen gebeuren, maar geeft iets aan wat men vurig wenst en in zekere zin nu al bezit op een imperfecte en voorlopige wijze. Overeenkomstig een bekend theologisch beginsel is de tegenwoordigheid van God      -waarvan de hoopvolle mens leeft-  nu al “het begin van de heerlijkheid”[14]. Voor een christen is het eeuwig leven reeds mysterieus aanwezig. God heef ons het geluk beloofd dat al in dit leven begint. De uitersten werpen licht en schaduw. Ons komt het toe het licht geleidelijk aan te ontdekken. Alléén wanneer we het geheel ontdekt hebben zal ons geluksverlangen volledig worden bevredigd.

Het celibaat ‘propter regnum coelorum’ geeft ons een voorproef van het eeuwig geluk want het begrijpt de diepste dimensie van de mensheid en het stelt ons in staat iets van de volheid te ervaren van het leven dat Christus ons wil geven. Ongetwijfeld is het een leefwijze die - evenals het huwelijk -  tot een affectieve rijpheid van de mens leidt.

Wie kan dan afstand nemen van de huwelijksliefde? Wie mag aannemen dat hij of zij geen behoefte aan een partner zal hebben? Uiteraard alleen degene die Christus op persoonlijke wijze uitnodigt en roept. Het gekozen celibaat is een christelijke roeping die niemand kan verdienen. Slechts God kan haar schenken in een uiting van zijn vrije en edelmoedige liefde. Toch zou elke christen bereid moeten zijn om deze gave te aanvaarden. Als een mens de roep van God verneemt zou hij de durf moeten hebben om zijn verworven positie op te geven en zich volledig over te geven aan de goddelijke voorzienigheid. “Alles ter zijde laten, - wat even wat je om handen hebt - om Hem een blik te gunnen..., dat is een akte van aanbiddende liefde zonder grenzen”[15].

Wanneer een mens zich door God bemind weet, wanner hij de genade van het christelijk celibaat aanvaardt en dienovereenkomstig handelt, ervaart hij steeds duidelijker dat het celibaat meer dan een opgave een geschenk is, meer dan armoede rijkdom. Dan begrijpt hij dat hij volledig door God begrepen en beschermd wordt, in wie hij kan vertouwen en hem alles vertellen wat hem overkomt. Ja, een leven met Christus is de grootste vreugde die de mens zich wensen kan. Een Duitse Benedictijn merkt op: “Waar voel ik me op mijn gemak? Daar waar ik me gevestigd heb? Daar waar er geliefden zijn met wie ik kan praten? Of voel ik me tevreden bij God? Ik zal het celibaat goed beleven als ik me bij God gelukkig voel[16].

 

5. Moeilijkheden

Zoals alle radicale en definitieve besluiten die heel het bestaan van de mens omvatten is het celibaat een zware en moeilijke liefdesband[17]. We mogen niet op naïeve wijze de eisen van het celibaat ontkennen gezien de natuurlijke neigingen van de mens. In tegendeel, opdat de overgave aan God naar een vol en gelukkig leven leidt is het absoluut noodzakelijk met realisme het bestaan van mogelijke moeilijkheden te erkennen en aan te pakken.

Het uit liefde tot God afstand doen van de buitengewone liefdesgemeenschap die het huwelijk is, betekent afzien van een diepe bron van vreugde en ook van een wederzijdse natuurlijke hulp op de weg naar de vereniging met God. De authentieke liefde voor een mens (op het natuurlijk vlak) is het meest doeltreffende middel om het egoïsme en de ongeordende hartstochten te overwinnen. De huwelijkse liefde maakt het hart zachtmoedig en begripvol, leert om edelmoedig te zijn. Wanneer men afziet van een menselijke liefde kan men zich afgewezen voelen. In het hart zou een leegte kunnen ontstaan die serieus moet worden genomen. Deze leemte kan slechts gevuld worden als men het celibaat ziet als een gelegenheid om heel verliefd op Christus te leven. Als Christus het hart vult, overwinnen we de eenzaamheid radicaal! Maar als dit niet zo is kan de mens zonderling en verbitterd worden, het hart kan verkoelen en het karakter verzuren. Het kan ook gebeuren dat iemand van een mug een olifant maakt, dat het hart vervuld raakt met zielige ambities zoals over anderen willen heersen, zich inspannen om kost wat kost succes te boeken, veel geld te verdienen etcetera. Dit is soms de grondstof van de kritiek op het celibaat door buitenstaanders (‘objectieve toeschouwers’). Het celibaat wordt onbegrijpelijk zodra Christus ophoudt model te zijn.

We dienen ons er rekenschap van te geven dat hoewel het afstand nemen van het huwelijk een blijde keus is,  dit niet betekent dat de gevolgen van die keus in de loop van het leven niet een zware last kunnen worden. De routine kan het hart ongevoelig of hard maken, de dagelijkse arbeid kan vermoeien. Het gevaar om te terug te vallen op datgene wat men uit liefde tot God heeft achtergelaten is immer aanwezig. Juist in die periode die men midlife noemt is een tweede bekering nodig. De celibatair levende mens kan overvallen worden door apathie, saaiheid en vermoeidheid. Sommigen voelen zich teleurgesteld, ervaren hun zwakte en willen of kunnen geen grote taak ondernemen. De gevoelens van teleurstelling kunnen zich uitbreiden naar andere gebieden. Vaak gaat men dan veel kritiek uiten en neemt het slecht humeur toe. Het hart koestert wrok en men is loslippig met roddelpraat of geeft zich over aan activisme of zinloos bezig zijn. Men vervalt in  onverschilligheid en wordt ongevoelig. Zo kan het gebeuren dat het celibaat het psychologische rijpingsproces van de mens blokkeert. Desalniettemin zal een normaal mens telkens weer proberen uit zijn geloof te leven en al deze hindernissen voor de blijmoedige overgave aan God overwinnen. Het celibaat is een werkelijke dialoog onder geliefden.

Er zijn weliswaar tragische gevallen! Maar het celibaat is even verantwoordelijk voor een eventueel verharden van het hart als het huwelijk een garantie vormt voor het tegendeel. Kennen we niet veel getrouwde mannen en vrouwen die overheerst worden door hun egoïsme en wier hart koud is geworden en die vaak slecht gehumeurd of kleinzielig zijn? Ook de menselijke liefde en het seksuele leven kunnen frustreren , vooral op grond van de beperkingen en de betrekkelijkheid van de vereniging die mensen kunnen ervaren. Wij verlangen allemaal naar het oneindige, het eeuwige en het absolute dat we in dit leven niet kunnen bereiken. Vroeg of laat komt men op een bepaald punt waarin de wens naar vereniging niet meer bevredigd kan worden[18]. Maar dit betekent niet dat mensen die getrouwd zijn niet elke dag gelukkiger kunnen worden.

 

6.  De strijd is onontbeerlijk

Het is een waarheid als een koe: telkens wanneer de mens hoge doelen nastreeft is het nodig te strijden. In ons geval betreft dit de strijd tegen de gevoelsloosheid, tegen de apathie, de verwaarlozing, de luiheid en ook tegen de wanorde in het leven van de zintuigen. Deze strijd is noodzakelijk, zowel in het huwelijk als bij degene die voor het celibaat gekozen heeft en is heel belangrijk.

We zijn zowel lichaam als ziel en al onze geestelijke activiteiten zijn diep verenigd met ons zintuiglijk leven. Bovendien is onze menselijke natuur door de zonde verzwakt. Opstand bieden tegen de werkelijkheid en de bewegingen van de natuur proberen tegen te spreken is zinloos. Een dergelijke onderneming zou leiden tot een strak en onmenselijk Stoïcisme. Maar even verkeerd is het om aan alle wensen toe te geven en het reële leven dat men leeft te vergeten. Het beste is zichzelf accepteren zoals men is. Eerlijkheid is nodig om de eigen gevoelens te erkennen en ze niet te verbergen of slechts te verdringen. Dit zou leiden tot een onnatuurlijk gedrag. Ten opzichte van ons eigen gedrag moeten we conclusies trekken: we moeten voorzichtig zijn en alert  blijven en afstand nemen van de  mens(en) voor wie wij gevoelens hebben die haaks staan op onze verbintenis met God.

We moeten niet schrikken van wat de christelijke overlevering ascese, innerlijke strijd of zelfbeheersing noemt. Voor veel mensen zijn dit rare en zelfs ongemakkelijke begrippen. Wellicht is hun ware betekenis misverstaan door het verleden waarin men heeft overdreven. De ascetische strijd wordt door grote sectoren van onze maatschappij verworpen. Deze afkeer is in veel gevallen de belangrijkste oorzaak van het verloren gaan van enkele celibataire roepingen. Het is niet de bedoeling dat we volledig afstand nemen van iedere vorm van ascetisch leven vanwege de overdrijvingen uit het verleden. Veeleer zou het ascetisch leven gefundeerd moeten worden en in praktijk worden gebracht op een intelligente, prudente en gepaste wijze. Een bekende Duitse religieuze legt duidelijk uit dat de zelfbeheersing “verworven moet worden uit liefde tot de Heer, zonder vrees, in vertrouwen, met een grote vrijheid en met een edelmoedig hart”[19]. De ascese leidt naar de ontmoeting met God. Door haar zoekt men niet de eigen perfectie maar de liefde tot God. Men moet duidelijk begrijpen dat het niet zozeer gaat om niets slechts te doen en niet te vallen. Men dient de moed te hebben om telkens weer op te staan. God is ons zachtmoediger en welwillender wanneer wij ons met ons verwond hart tot Hem verheffen dan wanneer we proberen Hem vol trots onze ascetische verworvenheden en onze morele reinheid te laten zien.

In de loop van ons leven kunnen we perioden ervaren van duisternis en teleurstelling. Emotionele evenwichtigheid en de geestelijke rijpheid zijn eigenschappen die niet regelrecht of ononderbroken verworven zijn. Over het algemeen worden ze slechts bereikt door enkele of meerdere crisissituaties. Een crisis is echter nog geen catastrofe. Men dient in elke moeilijke situatie de mogelijkheden te ontdekken die daarachter  verscholen liggen. Na elke beproeving en als gevolg daarvan wordt de liefde rijper en dieper. Mettertijd en na iedere ‘storm’ kunnen de liefde en de wens om zich aan anderen te geven zich vernieuwen, zuiveren en groeien. Hiervoor is het onontbeerlijk om goed te begrijpen wat men in die periode heeft meegemaakt. Niet vluchten, geen afleiding zoeken, jezelf niet bedriegen met een mogelijk ‘inruilen’  van de levensgezel of -gezellin want in werkelijkheid is het enige wat veranderen moet je eigen ik.[20]

Om een crisis te overwinnen is het nodig om ‘terug te keren’, om terug te gaan naar het moment waarop de vereniging plaatsvond. Dan kunnen we onze liefdesverbintenis hernieuwen en geheel van harte opnieuw “ja” zeggen. De filosoof Dietrich von Hildebrand verduidelijkt dit op geslaagde wijze wanneer hij zegt: “(…) het terugkeren naar het oorspronkelijke moment waarop God het diepste van onze ziel raakte is het wezenlijke bij iedere vernieuwing, die niet verward mag worden met een in al zijn bijzonderheden terug naar het begin gaan. Het is niet noodzakelijkerwijs een terugkeer naar het oorspronkelijke scenario, maar wèl naar het enthousiasme, het vuur en de ijver van het begin” [21]. Ik kan de kennis en de ervaring die ik in de loop van mijn leven heb opgedaan niet verloochenen. Als ik het oorspronkelijk “ja” herhaal, doe ik dit bewust en zo mogelijk vrijer dan de eerste keer, met het enthousiasme van de jeugd en de rijpheid die de jaren geven. Met het voorbijgaan van de jaren hebben we telkens meer lief omdat we willen beminnen en zijn we meer bereid om ons op te offeren voor wie we beminnen.

De rijpingsmogelijkheden van een mens - man of vrouw, gehuwd of ongehuwd - zijn even groot als de liefde waarvoor men leeft. Als een mens slechts bezorgd is om zichzelf en over zijn eigen imago (“wat zullen anderen zeggen”) wordt men innerlijk arm, apathisch en kortzichtig. Het wezenlijke obstakel voor het bereiken van een harmonische persoonlijkheid dus - kort gezegd – om gelukkig te zijn is het egocentrisme, het houterig karakter, de neurotische verhouding tot de wereld en tot degenen die ons omringen. Wie voor het celibaat gekozen heeft dient altijd op een diepere wijze de christelijke onthechting te leren beleven. We moeten keer op keer kijken naar Hem voor wie we gekozen hebben. Met andere woorden, we moeten bereid zijn om steeds meer afstand te nemen van de aardse goederen en in het bijzonder van wat de mensen ‘een rustig leventje’ noemen, waarbij alles geordend is en gepland. Op de eerste plaats moet men strijden tegen de eigen fouten en tekortkomingen zoals bijvoorbeeld een verkeerde wedijver met andere mensen, afgunst, wrokgevoelens, overgevoeligheid voor kritiek, het slechts aan de eigen carrière denken, etc. Zo wordt het hart steeds zuiverder en vrijer om God te beminnen.

Het is niet altijd zo dat de wil en het zintuiglijk leven in harmonie zijn. Dit zal slechts in de hemel definitief en volledig zijn. Toch kun je zonder te overdrijven zeggen dat in het geval van veel mensen die celibatair leven deze harmonie al  op aarde verwezenlijkt wordt. Die mensen houden niet alleen van God omdat ze hier ooit voor gekozen hebben, maar ze hebben Hem werkelijk lief met heel de kracht van hun hart. Ze zijn gelukkig in hun liefde voor God! Deze liefde kan hen soms helpen om bepaalde gevoelens en verlangens van het hart te bestrijden. Zo in het geval van Abraham toen hij klaar stond om zijn zoon Isaac op te offeren. Dietrich von Hildebrand beschrijft dit meesterlijk: “Abraham moest met zijn wil antwoorden toen God hem vroeg zijn zoon Isaac op te offeren. Maar zijn hart moest bloeden en het beantwoordde met de grootste droefheid. Zijn gehoorzaamheid aan het gebod zou niet volmaakter zijn geweest als zijn hart met vreugde had gereageerd. Integendeel, het zou dan een monsterlijke handeling zijn geweest. Volgens Gods wil eiste het offer van zijn zoon een antwoord van het hart van Abraham: dat van een diepe smart”[22]. Iets dergelijks heeft Christus in de hof van olijven ondergaan, waarbij we niet moeten vergeten dat er een oneindige afstand bestaat tussen Abraham en de Zoon van God.

Welke gevolgen heeft dit voor ons leven? Zowel in het huwelijk als in het celibaat moeten allen iets opofferen ter wille van een hogere liefde. We moeten enkele offers brengen om trouw te zijn aan degene voor wie wij in het verleden vrijwillig gekozen hebben. Ik denk dat het zich in het Lijden van de Heer verdiepen kan helpen om bekoringen of in het algemeen de moeilijkheden op affectief gebied te overwinnen. Als de goddelijke ingevingen, dus de dingen die God ons vraagt, slechts geluk zouden veroorzaken, als we nooit tegenstrijdigheid zouden voelen tussen de verlangens van het hart en het besluit van onze wil, dan zouden we ons kunnen gaan afvragen of ons geloofsleven wel werkelijk leeft. Misschien volgen we Christus dan wel van heel ver! Zelfs van zo ver dat we geen spoor meer van zijn kruis ervaren.

Aan de andere kant, als we ons verbazen dat we bij het navolgen van Christus zijn kruis ontmoeten, en nog meer als we erover klagen, kan dat een teken zijn dat we nog niet voldoende dicht bij de Heer zijn.  Dr. Arquer legt het treffend uit: “Een zekere mate van klagen is in tegenspraak met de essentie van de liefde. De minnaar accepteert graag het offer en neemt het de beminde niet kwalijk wat hem gevraagd wordt. Vanuit het diepste van zijn wezen zegt de celibatair blijmoedig ja tegen die smart en verwelkomt hij het kruis dat hem met Christus verenigt”[23].

Het celibaat is werkelijk een goddelijke gave die de dwaasheid van het kruis meedraagt. Op dit punt dienen we te verduidelijken dat wat bemind wordt niet het kruis is maar de Gekruisigde. Als we dichter bij de Heer willen zijn kunnen we niet verlangen het beter te hebben dan Hij. De liefde spoort aan tot de expressie en de objectivering van de overgave. Zij is blij zich op te offeren voor wie zij liefheeft; verlangt te tonen dat zij hem boven alles liefheeft. De bruid verlaat het ouderlijk huis, ontbindt haar leefgemeenschap met degenen tot wie ze tot dan toe behoorde om de man te volgen die zij uit liefde heeft uitgekozen. Wie voor Christus kiest heeft even veel reden om zich op deze radicale wijze over te geven.

7. De goddelijke en de menselijke liefde

Zowel in het celibaat als in het huwelijk kunnen er moeilijkheden en conflicten ontstaan. Ongetwijfeld is het nodig een zekere  bereidheid te hebben om zichzelf te overwinnen wanneer men voor het hele leven trouw wil zijn. Ik merk dit op omdat dit vandaag de dag nauwelijks genoemd wordt. Toch denk ik dat de ascetische strijd niet het belangrijkste is. Een geestelijk auteur legt het duidelijk uit: “Als je een hart hebt kun je verlost worden. Daar gaat het om in ons innerlijk leven, dat we een hart hebben dat in staat is te beminnen, dat zich laat verwonderen, vol verlangens, van warmte, met wens naar overgave”[24]. En om het hart op deze wijze vorm te geven reiken onze krachten niet. We halen het gewoon niet. Gelukkig mogen we een grote hulp verwachten van God en van andere mensen. Ik zou in het kort iets hierover willen zeggen.

In bepaalde milieus heeft men de gewoonte om de nadruk te leggen - en niet zonder enig genoegen - op alle psychische factoren die volharding in het celibaat vrijwel onmogelijk zouden maken. Ze vergeten hierbij echter het belangrijkste: de speciale genade die God schenkt aan ieder mens die zich aan Hem overgeeft en op Hem vertrouwt. Op deze wijze vervalst men de objectieve situatie. De oneindige liefde van Christus stelt ons in staat het hart brandend te houden en maakt emotionele evenwichtigheid mogelijk. De genade doordrenkt de diepste lagen van het hart en geeft haar de zuivere warmte. De genade begeleidt de mens naar de reikwijdte van de goddelijke handeling en wordt in zijn liefde opgenomen. “Hij, die de ziel roept, zal haar van zichzelf vervullen als de ziel zijn oproep volgt”[25]. God verwacht van ons een minimum aan bereidheid om ons open te stellen voor zijn liefde. De psalmist zegt het helder: “Als gij vandaag zijn woord verneemt, verstokt uw harten niet” (Ps. 94, 7-8).

Op een ander vlak verlangt ons hart een menselijke liefde te geven en te ontvangen. Enkele spiritualistische stromingen hebben geprobeerd dit te ontkennen. Misschien is dat de reden dat enkele celibataire mensen natuurlijkheid ontbreekt, dat ze terughoudend zijn en hun godsdienstige verplichtingen beschouwen als een zware last. Een gezond geestelijk leven is echter heel goed mogelijk wanneer men in een beminnelijke omgeving leeft en wanneer er goede relaties met anderen onderhouden worden. Ik geloof dat we niet bang hoeven te zijn voor de menselijke liefde. Als het affectieve leven op Christus gegrondvest is en als het doordrenkt is van zijn genade (en als we bereid zijn om te strijden) dan is de menselijke liefde voor ons een grote steun op de weg naar God. De menselijke liefde is niet alleen de huwelijksliefde maar kent ook andere vormen. Voor degenen die tot het christelijk celibaat geroepen worden heeft de vriendschap naar mijn mening een heel belangrijke betekenis[26]. Naast de liefde van God kan de liefdevolle vriendschap met mensen, vooral als deze geïnspireerd worden door hetzelfde ideaal, van grote hulp zijn om op de gekozen weg te blijven en zo bijdragen tot een snellere voortgang.

In de christelijke traditie is de waarde van de vriendschap  veelvuldig geprezen. De heilige Augustinus merkt zelfs op: “Zonder een vriend schijnt ons niets in de wereld beminnelijk te zijn”[27]. Na zijn bekering voelde deze buitengewone kerkvader zich bevestigd, bemoedigd en aangespoord door zijn vrienden, om grootse ondernemingen op touw te zetten. Als iemand mensen naast zich heeft die hij bemint en op wie hij vertrouwen kan lijkt alles gemakkelijker te gaan. Als die mensen onvoorwaardelijk en koste wat kost op dezelfde weg doorgaan en zich inspannen om hetzelfde doel te bereiken (of dit doel tenminste goed begrijpen) dan vormt  vriendschap een aansporing en geen hindernis om vooruit te gaan.

Vriendschap is een hoog goed dat naar mijn mening tot de ware christelijke naastenliefde behoort. In een van de centrale stellingen van het Evangelie zegt Jezus: “Ik heb u vrienden genoemd” (Io.15,15). We kunnen en moeten vriendschap met God en met de mensen sluiten. Hierbij is het denk ik duidelijk dat we bij vriendschappen met het andere geslacht heel prudent en eerlijk tegenover God en tegenover onszelf moeten zijn.

Dicht bij Christus zijn betekent geenszins de menselijke liefde minachten of verwaarlozen. Zo’n houding zou het hart werkelijk verharden. Daarentegen refereert Dietrich von Hildebrand naar de effecten van Christus’ nabijheid: “Het hart wordt onvergelijkbaar gevoeliger en vuriger en het raakt begiftigd met een ongehoorde affectiviteit. Tegelijkertijd wordt het gezuiverd van elke ongeoorloofde affectiviteit” [28]. Wie God werkelijk liefheeft hoeft geen angst te hebben zich aan schepselen te “hechten”. De bekende anglicaanse filosoof C.S. Lewis zegt dat alleen wanneer we God te weinig liefhebben het gevaar bestaat dat mensen bij wijze van spreken “naast God” iemand anders gaan beminnen als een afgod. Lewis spreekt over diegenen die om godsdienstige motieven - liever pseudo-religieuze - proberen hun gevoelens te onderdrukken om allerlei verwikkelingen te vermijden. “Ik geloof dat de meest ongeoorloofde en ongeordende liefdes minder tegen de wil van God ingaan dan een willens en wetens gebrek aan liefde waarmee men zichzelf verdedigt... Waarschijnlijk is het onmogelijk een mens eenvoudigweg teveel lief te hebben. We kunnen hem slechts teveel liefhebben met betrekking tot onze liefde tot God. Het is de kleinheid van onze liefde tot God en niet de grootte van onze liefde tot de mens die ongeordend is”[29]. Het christelijk celibaat leidt niet tot eenzaamheid of  isolement. Wanneer we goed begrijpen wat God van ons wil en we volgzaam zijn aan zijn genade, kunnen we God en de mensen hartstochtelijk liefhebben en ons door hen laten beminnen.

8.  Conclusie

Nog één keer wil ik het benadrukken: het celibaat is een weg die naar de door Christus beloofde volheid van het leven leidt. Het celibaat eist net als het huwelijk veel vitaliteit omdat het de oorspronkelijke motivatie vergt waarmee de zelfovergave begon en het dient een leven lang levendig te blijven. Dit is slechts mogelijk met een authentiek gebedsleven. Alleen in dialoog met God kan men de ware betekenis van het celibaat begrijpen. De omgang met Jezus Christus kan de leemte van het hart vervullen. Slechts wanneer men het kruis begrijpt kan de Heer onze gevallen natuur genezen.

In de mate dat de mens zich meer aan God overgeeft zal hij zich aan andere mensen kunnen overgeven en in staat zijn hen te beminnen. Het apostolische ter wille van het rijk der Hemelen smeedt een persoonlijkheid met een groot vermogen om lief te hebben en om vriendschap te geven juist omdat het gegrondvest is in het wegcijferen van zichzelf door een edelmoedige overgave. De graad van deze overgave en van zijn warmte hangen af van hoe levendig de liefde tot God is. De nabijheid van Christus en het absolute vertrouwen in Hem, maken van de mens een meester in de liefde, ook in de huwelijksliefde, want de mens verwezenlijk in zijn   huwelijk slechts datgene waarvan het huwelijk een symbool is: de echtelijke liefde met Christus.

Nog een woord voor het einde. De volmaaktste vereniging met Christus is niet op zichzelf gebonden aan een specifieke levensvorm. Het is een kenmerk van de heiligen en als zodanig haalbaar voor zowel gehuwden als ongehuwden. Per slot van rekening is het enige wat telt dat ieder zijn eigen weg ontdekt en die trouw volgt in de zekerheid dat God vanaf de eeuwigheid hem persoonlijk tot die weg geroepen heeft.

 

 

 



[1] Vgl. Johannes Paulus II, “Die Erlösung des Leibes und die Sacramentalitët der Ehe. Kathechesen 1981 - 1984” Valendar 1985, pp. 84, 105 en 112.

[2] Vgl. Johannes Paulus II, idem p. 110.

[3] Voor de leesbaarheid wordt voortaan ‘hij’ gebruikt en niet steeds hij of zij, maar het spreekt voor zich dat de argumentatie ieder celibaat  betreft (Noot van de vertaler).

[4] Aurelius Augustinus, geciteerd door J. Arquer in “Kirche und Sex” Aachen 1994, p. 262.

[5] Jozef Arquer, loc. cit.

[6] Vgl. Johannes Paulus II, apostolische exhortatie ‘Mulieris Dignitatem’, jaar 1988, n. 20.

[7] Vgl. Johannes Paulus II, loc. cit.

[8] Karel Wojtila,’Liefde en Verantwoordelijkheid’, München 1979, p. 218.

[9] Vgl. Marc Trömeau, “Der gottgeweihte Zëlibat”, Wien 1981, pp. 17-30.

[10] Vgl. Johannes Paulus II, “Die Erlösung des Leibes...”, op. cit. p. 87.

[11] Alvaro del Portillo, “Escritos sobre el sacerdocio” (Geschriften over het priesterschap), Madrid 1970, p. 2.

[12] Vgl. Johannes Paulus II, “Die Erlösung des Leibes...”, op. cit. p. 116.

[13]  Ladislaus Boros, “Im Menschen Gott begegnen”, Mainz 1967, pp. 103 en vgl.

[14] Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II, q. 24 a. 3 ad 2.

[15] Dietrich von Hildebrand, “Reinheit un Jungfrëulichkeit”, St. Ottilien 1981, p. 180.

[16] Anselm Grün, “Ehelos - des Lebens wegen”, Münsterschwarzach 1989, p. 57.

[17] A. del Portillo, op. cit. p. 104.

[18] K. Wojtula, “Liebe un Verantwortung”, cit. p. 220.

[19] Isa Vermehren, “Vom Richtum der Ehelosen”, in ‘Der Zëlibat des Priesters”, Sint Ottilien 1995, p. 95.

[20] Dietrich von Hildebrand, “Zëlibat und Glaubenscrise”, Regensburg 1970, p. 40.

[21] Dietrich von Hildebrand, “Über das Herz”, Regensburg 1967, p. 189.

[22] Dietrich von Hildebrand, “Het Hart. Een analyse van de menselijke en de goddelijke affectiviteit”, Madrid 1996, p. 203.

[23] J. Arquer, op. cit. p. 265.

[24] Grün, op. cit. pp. 30-31.

[25] Dietrich von Hildebrand, “Reinheit un Jungfrëulichkeit”, St. Ottilien 1981, p. 174.

[26] Zie hierover de uitleg van Johannes Paulus II in “Predigt zum Thema Priester, Diakone, Seminaristen im Dom Fulda am 17.11.1980” en “Verlautbarungen des Apostolischen Stuhls, 25”, Bonn 1980, pp. 110-111.

[27] Augustinus van Hippo, geciteerd door Anselm Grün in op. cit. p. 45.

[28] Dietrich von Hildebrand, “Het Hart. Een analyse van de menselijke en de goddelijke affectiviteit”, Madrid 1996, p. 206.

[29] C.S. Lewis, “The Four Loves”, Madrid 1993, pp. 135-136.