BRIEF UIT
HET HIERNAMAALS
Hieronder volgt een ontstellend document. Het is
allerminst een stuk sensatie, maar integendeel een genade van de Goddelijke
Barmhartigheid. Hetgeen erin wordt verhaald over het leven van Annie en haar
ouders is gecontroleerd en het zijn feiten. Dr. Bernard Krempel, die het voor
het eerst publiceerde, verkreeg bovendien het imprimatur van het Bisdom Basel,
in Soloturn op 12 november 1941.
Tenslotte zij vermeld dat de brochure met de originele
tekst niet minder dan 15 voetnoten bevat, waarvan sommige zeer uitgebreid, die
de overeenstemming aantonen van de beweringen uit het hiernamaals met de leer
van de Kerkvaders en de H. Schrift. We nemen deze niet over maar brengen wel de
onverkorte vertaling van de "Brief".
Dr.Krempel:
Onder de papieren van een dochter, die jong is gestorven
als kloosterzuster, vond ik het volgende handschrift:
"Ik had een vriendin.
Dat wil zeggen, we kenden elkaar doordat we op het kantoor in München waar we
werkten, naast elkaar zaten. Toen Annie later trouwde heb ik haar niet meer
gezien. Er was eigenlijk meer een vriendelijkheid dan vriendschap tussen ons.
Ik miste haar dan ook niet erg toen ze na haar huwelijk in een villawijk van
München ging wonen, die veraf lag van de plaats waar ik woonde. Toen ik in de
herfst van 1937 mijn vakantie aan het Gardameer doorbracht schreef mijn moeder
me, ongeveer aan het einde van de tweede week van september: ‘Moet je eens
horen, Annie N. is gestorven. Ze is door een auto-ongeluk om het leven gekomen.
Gisteren is ze begraven’.
Ik was geschrokken van dit bericht. Ik wist dat Annie
nooit echt godsdienstig was geweest. Was ze wel voorbereid toen God haar
plotseling had geroepen?
De volgende morgen woonde ik in het pensionaat van de
zusters, waar ik verbleef, de H. Mis bij in de huiskapel, ik bad vurig voor
haar zielerust en offerde ook de H. Communie tot die intentie op. Maar de hele
dag voelde ik een zeker onbehagen, dat tegen de avond nog toenam. Ik sliep
onrustig.
Uiteindelijk ontwaakte ik door een heftig geklop. Ik deed
het
licht aan. De wekker op mijn nachtkastje stond op 10
minuten na middernacht. Maar er was niets
te zien. Geen enkel geluid in huis. Alleen de golven van het Gardameer sloegen
eentonig tegen de oevermuren van de tuin van het pensionaat.
Er was geen wind te horen. En toch had ik toen ik wakker
werd een soort waaien van wind menen te horen. Net alsof mijn chef op het
kantoor in een slecht humeur een vervelende brief op mijn schrijftafel wierp.
Ik dacht een ogenblik na of ik op zou staan. Ach wat, zei ik vastberaden tegen
mezelf, het is alleen maar je
ophol geslagen fantasie door dat doodsbericht. Ik draaide me om, bad een Onze
Vader voor de arme zielen in het vagevuur en sliep in.
EN IK DROOMDE:
Dat ik 's morgens om 6 uur was opgestaan en naar de
huiskapel wilde gaan, toen ik bij het opendoen van de kamerdeur met mijn voet
tegen een pakje losse velletjes van een brief stootte.
Ze opnemen, Annie's geschrift herkennen en een kreet
uitstoten: dat gebeurde allemaal tegelijkertijd. Bevend hield ik de vellen
papier in mijn handen. Een verstikkend gevoel overviel me. Ik wist dan ook
niets beters te doen dan naar buiten te vluchten. Ik maakte mijn haar in orde,
deed de brief in mijn handtas en ging het huis uit.
Na ongeveer een kwartier te hebben gelopen liet ik me op
een bank vallen. Ik greep naar de brief. Er stond geen handtekening onder. Maar
het was onmiskenbaar Annie's handschrift. Zelfs de wijde krul van de S en de op
zijn Frans gescheven T die ze zich om mijnheer Gr. te ergeren had eigen
gemaakt, ontbraken niet. De stijl was de hare niet. Tenminste, ze sprak niet
zoals gewoonlijk. Ze kon namelijk heel vriendelijk babbelen en lachen. Alleen
als we over religieuze vragen
discussieerden kon ze giftig worden en in de harde toon van deze brief
vervallen (Ik heb nu ook zelf al de opgewonden manier van spreken van haar
brief aangenomen). Ik laat haar schrijven uit het hiernamaals hieronder woord
voor woord volgen, zoals ik het in mijn droom heb gelezen.
HET LUIDDE ALS VOLGT:
’Clara! Bid maar
niet voor me. Ik ben verdoemd. Ik deel dat wel aan je mee en zal je er uitvoerig over
berichten, maar denk maar niet dat het uit vriendschap gebeurt. We houden hier
van niemand meer. Ik doe het gedwongen. Ik doe het nu, als "deel van die
macht, die steeds het boze wil maar steeds het goede doet" (als “Teil von
jener Macht, die stets das Böse will, und stets das Gute schafft”). Om de
waarheid te zeggen zou ik je ook in deze toestand willen zien belanden waarin
ik nu voor eeuwig het anker heb uitgeworpen. Wees daar niet verbaasd over. Wij
denken hier allemaal zo. Onze wil is in het kwaad -wat jullie nu eenmaal het
"kwaad" noemen- versteend. Zelfs als we iets "goeds doen",
zoals ik nu, doordat ik je ogen open over de hel, gebeurt dat niet met goede
bedoelingen. Herinner je je nog? Vier jaar geleden leerden we elkaar in München
kennen. Jij was 23 en al een half jaar op het kantoor toen ik er kwam. Je hebt
me vaak uit de moeilijkheden geholpen. Je gaf mij als beginneling menige goede
aanwijzing. Maar wat betekent "goed"? Destijds prees ik je
"naastenliefde". Belachelijk! Je hulp kwam voort uit pure
grootdoenerij, zoals ik overigens toen al vermoedde. Wij hier erkennen geen
goeds. In niemand.
Mijn jeugd ken je. Enkele leemten vul ik hier aan. Volgens
het plan van mijn ouders had ik eigenlijk niet moeten bestaan. Ik was
“een ongelukje". Mijn beide zussen waren al 14 en 15 jaar toen ik het
levenslicht zag. Was ik maar nooit geboren! Kon ik me nu maar vernietigen, deze
kwellingen ontlopen! Geen wellust zou gelijk zijn aan die, waarmee ik mijn
bestaan zou verscheuren als een kledingstuk van as, waarvan de flarden in het
niets vervliegen. Maar ik moet bestaan. Ik moet zijn zoals ik mezelf heb
gemaakt: met een gemist bestaansdoel.
Toen mijn vader en moeder, nog vóór hun
Wij eten niet, we slapen niet. We lopen niet met onze
voeten. Met geketende ziel staren we met "geween en tandengeknars"
naar ons verknoeide leven. Hatend en gepijnigd. Hoor je! We drinken hier de
haat als water. Ook tegen elkaar.
Maar het meest haten we God. Ik wil het je begrijpelijk
maken. De heiligen in de hemel moeten Hem beminnen. Want ze zien Hem zonder
sluier in Zijn verblindende schoonheid. Dat maakt hen onbeschrijflijk zalig.
Wij weten dat en dit inzicht maakt ons razend. De mensen op aarde, die God
kennen uit de schepping en de openbaring, kúnnen Hem beminnen; gedwongen zijn
ze niet. De gelovige -ik schrijf dit knarsetandend neer- die aandachtig
mediteert over Jezus die aan het kruis is genageld, gaat van Hem houden. Maar
degene zoals wij, op wie God toekomt als de Straffende, de Wrekende, de
Rechtvaardige die eens door ons is verworpen: die haat Hem. Met de volheid van
zijn boze wil. Eeuwig. Vanwege het vrijwillige besluit om van God afgekeerd te
zijn waarmee we onze ziel stervend hebben uitgeademd. En dat we ook nu niet
terug willen trekken en nooit zullen willen terugtrekken.
Begrijp je nu waarom de hel eeuwig duurt? Omdat onze
hardnekkigheid nooit wegsmelt.
Gedwongen voeg ik hieraan toe, dat God zelfs tegenover ons
barmhartig is. Ik zeg "gedwongen". Want, al schrijf ik deze brief
tegen mijn wil, het is me toch niet toegestaan om te liegen, hoe graag ik het
ook zou doen. Tegen mijn wil zet ik veel dingen op papier. Ook moet ik de vloed
van verwensingen die ik zou willen uitbraken inslikken. God is barmhartig
geweest voor ons omdat Hij ons op aarde onze slechte wil niet liet uitleven
zoals we dat zouden hebben willen doen. Want dat had onze schuld en onze straf
nog groter gemaakt. Hij liet ons voortijdig sterven, zoals in mijn geval, of
andere milderende omstandigheden optreden. Nu toont Hij zich tegenover ons
barmhartig omdat Hij ons niet dwingt dichter bij Hem te komen vanuit deze verre
helleplaats en dat vermindert de kwelling.
Ieder stap naar God toe zou me meer pijn doen dan voor jou
een stap naar een brandende hoogoven.
Je was ontdaan toen ik je tijdens een wandeling eens
vertelde dat mijn vader twee dagen voor mijn eerste communie tegen me zei:
"Zorg dat je een mooie jurk krijgt, Anneke, al het andere is toch maar
flauwekul!" Ik had me bijna zelf geschaamd over je schrik. Nu lach ik
erom. Het enige verstandige bij die flauwekul was, dat ze ons pas met twaalf
jaar te communie lieten gaan. Toen had ik de smaak van de wereldse pleziertjes
al zozeer te pakken dat ik het godsdienstige luchthartig wegwuifde; me van de
communie niet veel aantrok. Dat veel kinderen nu al met zeven jaar te communie
gaan maakt ons woedend. We doen alles om de mensen wijs te maken dat de
kinderen er dan nog niets van begrijpen. Ze moeten eerst enkele doodzonden
hebben gedaan! Dan schaadt de witte Heer God hun niet meer zo als wanneer het
geloof, de hoop en de liefde –pfoeh! Hou op daarover!– van het doopsel nog in
het kinderhart leven! Herinner je je, dat ik dit standpunt al op aarde
verdedigde?
Ik had het over mijn vader. Hij lag vaak met moeder
overhoop. Dat heb ik je maar zelden laten voelen; ik schaamde me erover.
Belachelijk iets, die schaamte! Voor ons maakt het hier allemaal niets meer
uit.
Ze sliepen ook niet meer in dezelfde kamer, maar ik bij
mijn moeder en mijn vader in de kamer ernaast, waar hij op elk uur van de nacht
naar binnen kon gaan. Hij dronk veel en hij verdronk ons hele bezit. Mijn beide
zussen hadden een baan en hadden hun geld zelf nodig, zeiden ze. Mijn moeder begon te werken om er iets bij te verdienen.
In zijn laatste levensjaar heeft vader mijn moeder vaak geslagen als ze hem
niets wilde geven. Tegen mij was hij altijd lief. Op zekere dag, dat heb ik je
verteld, en je hebt je toen over mijn verwendheid geërgerd -wat heb je je aan
mij geërgerd!-, op zekere dag dus heeft hij tot tweemaal toe schoenen die we
hadden gekocht teruggebracht om ze om te ruilen, omdat het model en de
afwerking me niet modern genoeg waren. In de nacht waarin mijn vader door een
dodelijke beroerte werd getroffen, is er iets gebeurd dat ik je uit angst voor
een uitleg die niet zo aardig voor mij zou klinken, niet heb willen toevertrouwen.
Maar nu moet je het weten. Want het is merkwaardig, alleen
al door het feit dat ik toen voor
de eerste maal door mijn tegenwoordige kwelgeest werd aangesproken.
Ik sliep bij mijn moeder in de kamer. Aan haar regelmatige
ademhaling was duidelijk dat zij vast in slaap was. Daar hoorde ik plotseling
mijn naam roepen. Een onbekende stem zei: "En als je vader nu eens
doodgaat?" Ik hield niet meer van mijn vader, omdat hij moeder zo grof
behandelde; zoals ik eigenlijk van niemand meer hield, maar alleen aan diegenen
gehecht was die goed voor me waren. Liefde zonder uitzicht op aardse
tegenprestatie leeft alleen in zielen die in staat van genade zijn. Dat was ik
niet. Zo antwoordde ik op die geheimzinnige vraag zonder me rekenschap te geven
waar hij vandaan kwam: "Hij gaat toch niet dood!"
Na een korte tijd weer diezelfde duidelijk te horen vraag:
"Hij gaat toch niet dood", antwoordde ik nogmaals nors. Voor de derde
maal werd ik aangesproken: "En als
je vader nu eens doodgaat?" Ik dacht eraan hoe vader vaak dronken
thuis kwam, lawaai maakte, moeder mishandelde en hoe wij door hem in een
hachelijke positie tegenover de mensen werden gebracht. Daarom riep ik kwaad
terug: “Dat komt dan goed uit!" Daarna werd alles stil.
De volgende morgen, toen moeder vaders kamer wilde
opruimen, vond ze de deur gesloten. Tegen de middag brak men hem open. Vader
lag half aangekleed op bed -een lijk. Bij het halen van bier uit de kelder
moet hij kou gevat hebben. Hij sukkelde al lange tijd (Heeft God het dus aan de
wil van een kind verbonden, die nog enigszins van hem hield, of Hij hem nog
langer de gelegenheid tot bekering zou geven? -Wat een verantwoordelijkheid
voor hen die de gelegenheid verzuimen om goed te doen aan hun naaste).
Martha K. en jij hebben me overgehaald om bij de
meisjesjeugdbeweging te gaan. Ik heb overigens nooit onder stoelen of banken
gestoken dat ik de raadgevingen van de beide leidsters X rijkelijk
pastoorsachtig vond. De spelletjes waren wel leuk. En ik had daarbij al gauw,
zoals je weet, een leidende rol. Dat beviel me. Ook de uitstapjes bevielen me.
Ik liet me zelfs enkele keren overhalen om te biechten en te communie te gaan.
Eigenlijk had ik niets te zeggen. Ideeën en gesprekken zeiden mij niets en voor
ergere daden was ik nog niet verdorven genoeg. Je hebt me eens gewaarschuwd:
"Annie, als je niet bidt, ga je verloren!"
Ik bad inderdaad weinig. En ook met tegenzin. Maar je had
meer dan gelijk. Allen die in de hel branden hebben niet of te weinig gebeden.
Het gebed is de eerste stap naar God. Het blijft de beslissende. Vooral het
gebed tot Degene die de Moeder van Christus is en die we hier niet noemen. De
godsvrucht tot haar ontrukt veel zielen aan de duivel die de zonde hem absoluut
zeker in handen zou hebben gespeeld. Woedend vervolg ik -omdat ik moet-: bidden
is het makkelijkste wat een mens kan doen op aarde. En juist aan dit
makkelijkste heeft God het heil verbonden. Aan wie volhardend bidt geeft Hij
geleidelijk zoveel licht en Hij sterkt hem dermate, dat ook de diepst gezonken
zondebok zich nog definitief kan oprichten. Al zit hij ook tot aan zijn nek in
de modder.
In mijn laatste
jaren heb ik helemaal niet meer goed gebeden en me zo beroofd van de genaden zonder welke
niemand zalig wordt. Hier krijgen we geen genade meer. Maar zelfs als we die
zouden krijgen zouden we het met hoongelach afwijzen. Alle schommelingen van
het aardse bestaan hebben in het hiernamaals opgehouden. Bij jullie op aarde
kan de mens van uit een staat van zonde in de staat van genade glijden. En van
de genade in de zonde vallen. Dikwijls uit
zwakheid, soms uit slechtheid. Met de dood is er aan deze onvolmaaktheid
van het op- en neerspringen van de menselijke voeten een einde gekomen. De
eindtoestand is bereikt. Met het klimmen van de jaren worden de sprongen al
kleiner. Het is waar, tot aan de dood toe kan men zich naar God wenden of Hem
de rug toekeren. Maar de mens besluit met de laatste zwakke wilsopwellingen voor zijn overlijden haast automatisch
zo als hij in zijn leven gewoon was. Een goede of een kwade gewoonte wordt een
tweede natuur. Deze drijft hem voort. Ook mij. Ik leefde sinds jaren van God
afgekeerd. Zo besliste ik bij de laatste oproep van de genade tégen God.
Niet het feit dat ik vaak zondigde werd mij noodlottig,
maar dat ik niet meer wilde opstaan.
Je hebt me meermaals aangespoord om naar een preek te gaan
luisteren of om godsdienstige boeken te lezen. Ik had er geen tijd voor, luidde
mijn antwoord regelmatig. Had ik mijn innerlijke onzekerheid nog groter willen
maken?
Ik moet overigens vaststellen: toen ik er al zo voorstond,
kort voor mijn uittreding uit de jeugdbeweging, zou het me ongelofelijk zwaar
zijn gevallen om nog een andere weg in te slaan. Ik voelde me onzeker en
ongelukkig. Maar er stond een muur tussen mij en een bekering. Dat zal jij niet
hebben vermoed. Je stelde het zo eenvoudig voor toen je eens zei: "Leg
toch een goede biecht af, Annie, en alles is weer in orde!" Ik had het
gevoel dat het zo was. Maar de wereld, de duivel en het vlees hadden me al veel
te vast in hun greep.
Aan de invloed van de duivel heb ik nooit geloofd. Nu
getuig ik dat hij op zulke mensen als ik toen was een enorme invloed uitoefent.
Alleen door veel gebed van anderen en van mijzelf, verbonden met offers en
lijden, had ik uit zijn macht kunnen komen. En zelfs dan alleen geleidelijk. Al
zijn er weinig uiterlijk bezetenen, het wemelt daarentegen van de innerlijk
bezetenen. De duivel kan de vrije wil van degenen die zich aan zijn invloed
overgeven niet afnemen. Maar tot straf voor hun als het ware systematische
afval van God, laat Deze het toe dat de "Boze" zich in hen nestelt.
Ik haat de duivel óók. En desondanks bevalt hij me, omdat hij probeert jullie
in het verderf te storten; hij en zijn handlangers, de aan het begin van de
tijden samen met hem gevallen geesten. Er zijn er miljoenen van. Ze zwerven
over de aarde rond, dicht als een zwerm muggen, en jullie hebben er nauwelijks
een vermoeden van. Wij, verworpen mensen, mogen jullie niet bekoren; dat komt
de gevallen geesten toe. Het vermeerdert weliswaar hun kwelling, iedere keer
dat ze een ziel meesleuren in de hel. Maar wat kan haat niet doen!
Niettegenstaande ik goddeloze paden bewandelde ging God
achter me aan. Ik effende de weg voor de genade door natuurlijke diensten van
liefde, die ik door de neiging van mijn aard vaak verrichtte. Soms lokte God me
een kerk in. Daar kreeg ik een soort heimwee. Als ik ondanks een hele dag
werken op kantoor voor mijn ziekelijke moeder zorgde en me werkelijk enigszins
opofferde, werkten deze aanlokkingen van God sterk op mij in. Op een keer toen
je me tussen de middag had meegenomen naar de kapel van het ziekenhuis,
overviel het me zó, dat er nog maar één stap nodig was geweest of ik zou me
hebben bekeerd. Ik huilde. Maar toen spoelde de zucht naar het wereldse weer
over de genade heen. Het koren verstikte onder de dorens. Met de verklaring dat
godsdienst een kwestie van de gevoelens is, zoals op kantoor steeds werd
gezegd, veegde ik ook deze hernieuwing van de genade van tafel, net als de
andere keren.
Je hebt me eens een standje gegeven omdat ik in plaats van
tot op de grond te knielen, alleen maar een ongemanierd gebaartje maakte. Je
vond dat luiheid. Vermoedde je dat ik toen al niet meer geloofde aan de
tegenwoordigheid van Christus in het Sacrament? Nú geloof ik eraan, maar zuiver
natuurlijk, zoals je aan onweer gelooft, waarvan je de gevolgen kan waarnemen.
Intussen had ik op mijn manier een godsdienst gemaakt. Ik
hield er de mening op na die bij ons op het werk schering en inslag was, dat de
ziel na de dood in een ander wezen overgaat (reïncarnatie); zo zou ze eindeloos
verder trekken. Daarmee was de bange vraag over het hiernamaals tegelijk onder
ogen gezien en voor mij onschadelijk gemaakt. Waarom heb je me niet herinnerd
aan de gelijkenis van de rijke vrek en de arme Lazarus, van wie Christus
onmiddellijk na hun dood de ene naar de hel stuurt en de andere naar het
paradijs? Maar wat had je daarmee bereikt? Niet meer dan met je andere
overdreven vrome praat.
Geleidelijk aan knutselde ik voor mezelf een God in
elkaar; voldoende "op niveau" om God te worden genoemd; voldoende ver
van mij, om geen betrekkingen met hem te hoeven onderhouden. Vaag genoeg om hem
tot een pantheïstische wereldgod (“wereldziel”) te laten uitdijen, of tot een
soort eenzame vrijgezel te laten inkrimpen (een God die niets met de wereld te
maken heeft), al naargelang mijn behoefte; en zonder dat ik mijn godsdienst
hoefde te veranderen. Deze God had me geen hemel te schenken en geen hel op te
leggen. Ik liet hem met rust. Daarin bestond mijn aanbidding voor hem.
"Waar je van houdt, daar wil je graag in
geloven". In de loop van de jaren was dat (hierboven beschrevene) dus mijn
godsdienstige overtuiging. Je kon ermee leven. Maar er was één ding dat me zou
hebben gebroken: een groot en langdurig lijden. En dat lijden kwam niet.
Begrijp je nu wat het betekent: “God kastijdt degenen die Hij bemint”?
Het was op een zomers dag in juli toen de jeugdvereniging
een uitstapje naar A. had gepland (bedoeld is waarschijnlijk Altötting in
Beieren, een Mariabedevaartsoord; vert.). De excursie op zich leek me wel leuk.
Maar die stomme preken en dat vrome gedoe! Sinds kort stond er een ander beeld
dan dat van de Moeder van Genaden van A. op het altaar van mijn hart: de
aantrekkelijke Max N. van de winkel naast ons. We hadden kort tevoren al
meermalen gekheid met elkaar gemaakt.
Hij had me juist
voor deze zondag uitgenodigd om ergens heen te gaan. Het meisje met wie hij altijd
uitging lag in het ziekenhuis. Hij had wel gemerkt dat ik een oogje op hem had.
Ik dacht er toen nog niet aan om met hem te
Na het eerst uitstapje met Max ben ik nog eenmaal naar de
jeugdvereniging gegaan. Met Kerstmis, voor het feest. Dat was iets dat me
aantrok om nog eens terug te gaan. Maar innerlijk was ik al van jullie
vervreemd. Bioscoop, dansen, uitstapjes, het ene volgde op het andere. Max en
ik maakten soms wel ruzie, maar ik wist hem steeds weer aan me te binden. Mijn
rivale maakte het me heel moeilijk; toen ze weer uit het ziekenhuis was, ging
ze als een razende te keer. Eigenlijk tot mijn geluk, want mijn voorname rust
maakte grote indruk op Max en gaf uiteindelijk de doorslag zodat hij aan mij de
voorkeur gaf. Ik wist hoe ik haar bij hem zwart kon maken; koel redenerend,
uiterlijk zakelijk, innerlijk gif spuwend. Zulke gevoelens en handelingen zijn
een voortreffelijke voorbereiding voor de hel. Ze zijn "duivels” in de
strikte zin van het woord. Waarom vertel ik je dat? Om aan te geven hoe ik me
definitief van God heb losgemaakt.
Niet dat het
overigens heel vaak tussen Max en mij tot de laatste intimiteiten was gekomen. Ik begreep dat ik me in zijn
ogen verlaagde als ik me voortijdig liet uitdrinken. Daarom hield ik me
gereserveerd.
Maar op zich was ik zo vaak ik het nodig vond ten allen
tijde tot alles bereid. Ik moest Max veroveren. Daarvoor was niets te duur.
Bovendien begonnen we elkaar langzamerhand lief te hebben, daar we beiden
waardevolle eigenschappen bezaten die we in elkaar konden waarderen. Ik was
handig, knap, een goede gezelschapspartner. Zo kreeg ik Max zo vast in de hand,
dat ik hem, tenminste de laatste maanden voor het huwelijk, alléén bezat.
Daarin bestond mijn afval van God: dat ik een schepsel tot
mijn God verhief. Nergens kan dit zo allesomvattend gebeuren als in de liefde
tot een mens van het andere geslacht, wanneer die in het aardse blijft steken.
Dat maakt haar charme, haar angel en haar gif uit. De aanbidding die ik voor
Max had werd voor mij het praktiseren van een godsdienst. Het was in de periode
dat ik me op kantoor giftig uitliet over kerkelijke zaken, geestelijken, aflaten,
rozenkransgewouwel en soortgelijke nonsens.
Jij hebt min of meer intelligent geprobeerd om deze dingen
in bescherming te nemen, schijnbaar niet vermoedend dat het bij mij in
werkelijkheid niet om deze dingen ging, maar dat ik eerder een houvast tegen
mijn geweten zocht. Ik had het toentertijd nog nodig om mijn afvalligheid ook
verstandelijk te rechtvaardigen.
In de grond van de
zaak rebelleerde ik tegen God. Dat zag jij niet in. Je hield me nog steeds voor
katholiek. Daar wilde ik ook voor doorgaan; ik betaalde zowaar de kerkelijke
bijdragen. Een bepaalde "rugdekking" kon immers geen kwaad, dacht ik.
Je antwoorden konden soms treffend zijn, maar op mij gleden ze af, omdat je geen gelijk mócht hebben.
Door deze verziekte verhouding was het verdriet van onze
scheiding toen we door mijn huwelijk uit elkaar gingen maar klein. Vóór het
huwelijk biechtte en communiceerde ik nog éénmaal. Het was toch voorgeschreven.
Ik en mijn man dachten hier hetzelfde over. Waarom zouden we deze formaliteit
niet vervullen? We vervulden ze, zoals iedere andere formaliteit. Jullie noemen
dat onwaardig. Na die "onwaardige" communie had ik meer rust in mijn
geweten. Het was overigens de laatste.
Ons huwelijksleven verliep in het algemeen heel
harmonisch. We waren het op alle punten zo roerend eens. Ook daarover, dat we
ons de last van kinderen niet op de hals wilden halen. In de grond van de zaak
had mijn man er wel graag eentje willen hebben -natuurlijk niet meer!-, maar ik
wist hem uiteindelijk ook dat uit zijn hoofd te praten. Kleren, mooie meubelen,
restaurants, autotochten en dergelijk amusement lagen me meer.
Het jaar tussen de bruiloft en mijn plotselinge dood was een jaar van aardse genoegens. Iedere
zondag gingen we met de auto weg of gingen we op bezoek bij de familie van mijn
man (Voor mijn moeder schaamde ik me nu). Die dreven net zo aan de oppervlakte
van het bestaan als wij.
Innerlijk voelde ik me weliswaar niet gelukkig, al kon ik
uiterlijk nog zo lachen. Er knaagde altijd iets onbestemds aan mij. Ik zou
hebben gewild dat na de dood, die wat mij betreft vanzelfsprekend nog lang
mocht wachten, alles was afgelopen.
Maar het is waar wat ik als kind eens in een preek hoorde
zeggen, dat God al het goede dat een mens doet beloont. Als Hij het niet kan
vergelden in het hiernamaals, doet Hij het op aarde. Onverwachts kreeg ik een
erfenis (van tante Lotte). Het lukte mijn man om zijn salaris behoorlijk te
verbeteren. Ik kon onze woning prachtig inrichten.
Het religieuze schemerde nog slechts in de verte. De
restaurants in de stad, de hotels waar we op reis onze intrek in namen, brachten
ons niet dichter bij God. Allen die daar vaker kwamen leefden zoals wij, van
buiten naar binnen: niet van binnen naar buiten. Als we op een vakantiereis een
beroemde kerk bezochten, wilden we alleen maar genieten van het artistieke
gehalte van de kunstwerken. De religieuze sfeer die ervan uitging, vooral van
die uit de middeleeuwen, wist ik te neutraliseren door me over een of andere
bijkomstigheid tijdens de bezichtiging te ergeren: een zorgeloos geklede of
onbeholpen kloosterbroeder, die ons rondleidde, het "schandaal" dat
monniken die vroom willen zijn, likeur verkopen; het eeuwige klokkengelui voor
de eredienst, terwijl het toch allemaal maar om het geld was begonnen...
Zo wist ik de genade steeds weer als zij aanklopte af te
wijzen. Ik liet mijn ontstemming vooral de vrije loop bij bepaalde ouderwetse
uitbeeldingen van de hel -op kerkhoven of ergens anders- waar de duivel de
zielen roostert in rode en witte vuurgloed en zijn helpers met lange staarten
nieuwe slachtoffers naar hem toe slepen. Clara: de hel kan verkeerd getekend
worden, maar hij kan niet worden overdreven!
Het vuur van de hel
heb ik altijd bijzonder op de korrel genomen. Je weet hoe ik je bij een gesprek daarover eens
een brandende lucifer onder je neus hield en spotte: ruikt het zo? Je blies de
vlam meteen uit. Hier blaast niemand hem uit.
Ik zeg je: het vuur waar de Bijbel over spreekt is niet de
gewetenskwelling. Vuur is vuur. Wat Hij gezegd heeft moet letterlijk worden
opgevat: Ga weg van mij, vervloekten, in het eeuwige vuur! Letterlijk! Hoe kan
de geest door stoffelijk vuur geraakt worden, vraag je je misschien af. Hoe kan
op aarde je ziel lijden, als je je vinger in de vlam houdt? De ziel brandt dan
toch ook niet; maar wat een pijn voelt de hele mens!
Precies zó zijn wij hier naar de ziel aan het vuur
gebonden, op de wijze van ons wezen en van onze vermogens. Onze ziel is haar
natuurlijke vleugelslag kwijt: we kunnen niet denken wat we willen en niet
zoals we willen. Kijk niet verbaasd op bij deze mededelingen, want deze
toestand, die jullie niets zegt, verzengt mij, zonder me te verbranden.
Onze grootste
kwelling bestaat hierin dat we heel goed weten dat we God nooit zullen zien. Wat kan dat pijn doen, terwijl
het iemand op aarde zo onverschillig laat! Zolang het mes op tafel ligt, doet
het je niets. Je ziet zijn scherpte, maar voelt het niet. Maar steek het mes in
je vlees en je huilt van de pijn. Nu voelen we Gods verlies; vroeger dachten we
er alleen maar aan.
Niet alle zielen lijden evenveel. Hoe boosaardiger en hoe
fundamenteler iemand gezondigd heeft, des te zwaarder drukt het verlies van God
op hem, wordt hij door de door hem misbruikte schepping gewurgd. Verdoemde
katholieken lijden meer dan andersdenkenden, omdat ze meestal meer licht en
genade hebben gekregen en met voeten hebben getreden. Wie méér geweten heeft,
lijdt erger dan wie minder inzag. Wie uit slechtheid heeft gezondigd lijdt
vreselijker dan wie uit zwakheid viel. Maar niemand lijdt meer dan hij verdiend
heeft. 0, was dat maar niet zo, dan zou ik een reden hebben om te haten!
Je hebt eens tegen me gezegd: "Niemand komt in de hel zonder het te weten." Dat zou aan een
heilige zijn geopenbaard. Ik lachte er om, maar verschanste me vervolgens
achter deze verklaring: zo nodig zal er nog wel tijd voor bekering zijn, dacht
ik in stilte.
De uitspraak klopt. Ik kende voor mijn plotselinge einde
de hel wel niet zoals hij is. Niemand op aarde kent hem. Maar ik was me er heel
goed van bewust: als je sterft ga je naar het hiernamaals over, afgekeerd van
God, en zul je de gevolgen dragen. Ik keerde niet om, zoals gezegd, meegesleurd
door de stroom van de gewoonte, gedreven door die sleur van waaruit de mensen
hoe langer hoe meer handelen naarmate ze ouder worden. Zo trad mijn dood in.
Het was een week geleden - ik spreek volgens jullie
tijdrekening, want aan de pijn gemeten kan ik evengoed al tien jaar in de hel
branden - een week geleden dus maakten mijn man en ik op een zondag het
uitstapje dat mijn laatste zou zijn. De dag was stralend aangebroken. Ik voelde
me in een zeldzame stemming. Een onheilspellend geluksgevoel bekroop me de
hele dag. En toen werd mijn man plotseling, toen we naar huis teruggingen, door
een tegemoetkomende auto verblind. Hij raakte de controle over het stuur kwijt.
Jezus!, drong het tot mij door. Niet als een gebed, enkel
als een schreeuw. Ik werd door een
verpletterende pijn in elkaar geperst. Vergeleken met de pijn hier een
bagatel. Toen verloor ik het bewustzijn.
Vreemd, maar die morgen was in mij op een onverklaarbare
manier de gedachte opgekomen: Je zou weer eens naar de Mis moeten gaan. Het
klonk als een smeekbede. Helder en welbewust. sneed mijn "Nee" deze
gedachtegang af. Daarmee moest het nu eindelijk eens amen en uit zijn. "De
gevolgen neem ik op me”. Nu draag ik ze. Wat er na mijn dood gebeurde, zul je
wel weten. Het lot van mijn man, van mijn moeder, wat er met mijn lijk gebeurde
en het verloop van mijn begrafenis zijn me tot in de details bekend door de
natuurlijke kennis die we hier hebben. Wat er verder op aarde gebeurt weten we
slechts mistig. Maar wat op een of andere manier met onszelf te maken heeft
gehad weten we wel. Zo zie ik ook waar jij verblijft.
Ikzelf ontwaakte op
het ogenblik van mijn dood plotseling uit het duister. Ik zag dat ik door een
doordringend licht was omringd. Het was op dezelfde plaats waar mijn lijk lag.
Het gebeurde als in een schouwburg: als de lampen in de zaal uitgaan, met
geraas het doek opgaat en een onvermoed toneel te zien is, akelig fel belicht.
Het toneel van mijn leven. Zoals in een spiegel toonde mijn ziel zich aan
zichzelf. De vertrapte genaden van mijn jeugd af aan tot aan mijn allerlaatste
"nee" tegenover God. Het werd me te moede als een moordenaar die men
tijdens het proces zijn ontzielde slachtoffer laat zien. Berouwen, nooit! Me
schamen: nooit! Maar ik kan het ook niet uithouden, onder de ogen van de door
mij verworpen God. Zo bleef er maar één ding over- vluchten. Zoals Kaïn
vluchtte voor het lijk van Abel, zo vluchtte mijn ziel voor deze gruwelijke
aanblik. Dat was het "Bijzonder Oordeel" (het persoonlijk oordeel van
ieder mens onmiddellijk na de dood)... Ikzelf rukte me los van God! Terug?
Nooit! Nee!’
Zo eindigde Annie's brief. De laatste woorden waren
haast onleesbaar. Maar wat was dát? Door de scherpe toon van de mededelingen
die ik had menen te lezen, klonk mild de klank van een klok heen. Ik werd
wakker. Ik lag nog in mijn kamer. Door het venster was het morgenrood
zichtbaar. Uit de kerktoren kwam het gelui van het Angelus.
Was alles dus alleen maar een droom geweest? Nooit heb ik
de troost van het weesgegroet zó gevoeld als na deze droom. Langzaam bad ik het
Engel des Heren. En toen werd het me heel duidelijk: aan Haar moet je je
vasthouden, aan de gezegende Moeder van de Heer. Maria kinderlijk vereren, wil
je niet het lot ondergaan dat een ziel je heeft afgeschilderd –al is het in een
droom- die God nooit meer zal zien. Nog bevend van de vreselijke nacht stond ik
op, kleedde me haastig aan en holde de trappen af, naar de kapel. Mijn hart
bonsde in mijn keel. De nog weinige gasten (van het klooster) die naast me
neerknielden zullen waarschijnlijk gedacht hebben dat ik zo opgewonden was
omdat ik de trappen zo snel was afgehold.
Een goede oude mevrouw uit Boedapest die veel te lijden
had, hulpbehoevend was als een kind en slechtziend, maar heel gelovig en in
geestelijke zaken een scherpe blik had, zei die middag in de tuin glimlachend
tegen me: “Jongedame, de Heiland wil niet in een sneltrein bediend worden!”
Maar ze merkte meteen dat er iets anders was waardoor ik van slag was.
Bemoedigend voegde ze er aan toe: “Je moet nergens angstig door worden! Je kent
toch wel de uitspraak van de heilige Teresia? Je moet nergens bang van worden, alles vergaat. God blijft dezelfde.
Met geduld bereik je alles. Wie God bezit komt niets tekort. God alleen is
voldoende!” Terwijl ze dat zachtjes en helemaal niet belerend tegen me
fluisterde, leek het of ze in mijn ziel las. “God alleen is voldoende!” O ja,
Hij zal voldoende voor me zijn, hierbeneden en daarboven. Eens wil ik Hem daar
bezitten, al kost het hier nog zoveel offers. Ik wil de beproevingen van het
aardse leven doorstaan en vasthouden aan de liefde tot God, opdat ik Hem voor
eeuwig mag bezitten, Hij die alleen vrede, vreugde en geluk is, terwijl alle
aardse vreugden vergaan”.