BRIEF UIT HET HIERNAMAALS

 

Hieronder volgt een ontstellend document. Het is allerminst een stuk sensatie, maar integendeel een genade van de Goddelijke Barm­hartigheid. Hetgeen erin wordt verhaald over het leven van Annie en haar ouders is gecontroleerd en het zijn feiten. Dr. Bernard Krempel, die het voor het eerst publiceerde, verkreeg bovendien het imprimatur van het Bisdom Basel, in Soloturn op 12 novem­ber 1941.

 

Tenslotte zij vermeld dat de brochure met de originele tekst niet minder dan 15 voetnoten bevat, waarvan sommige zeer uitge­breid, die de overeenstemming aantonen van de beweringen uit het hiernamaals met de leer van de Kerkvaders en de H. Schrift. We nemen deze niet over maar brengen wel de onverkorte vertaling van de "Brief".

 

Dr.Krempel:

 

Onder de papieren van een dochter, die jong is gestorven als kloosterzuster, vond ik het volgende handschrift:

"Ik had een vriendin. Dat wil zeggen, we kenden elkaar doordat we op het kantoor in München waar we werkten, naast elkaar zaten. Toen Annie later trouwde heb ik haar niet meer gezien. Er was eigenlijk meer een vriendelijk­heid dan vriendschap tussen ons. Ik miste haar dan ook niet erg toen ze na haar huwelijk in een villawijk van München ging wonen, die veraf lag van de plaats waar ik woonde. Toen ik in de herfst van 1937 mijn vakantie aan het Gardameer doorbracht schreef mijn moeder me, ongeveer aan het einde van de tweede week van september: ‘Moet je eens horen, Annie N. is gestorven. Ze is door een auto-ongeluk om het leven gekomen. Gisteren is ze begraven’.

 

Ik was geschrokken van dit bericht. Ik wist dat Annie nooit echt godsdienstig was geweest. Was ze wel voorbereid toen God haar plotseling had geroepen?

 

De volgende morgen woonde ik in het pensionaat van de zusters, waar ik verbleef, de H. Mis bij in de huiskapel, ik bad vurig voor haar zielerust en offerde ook de H. Communie tot die intentie op. Maar de hele dag voelde ik een zeker onbehagen, dat tegen de avond nog toenam. Ik sliep onrustig.

 

Uiteindelijk ontwaakte ik door een heftig geklop. Ik deed het

licht aan. De wekker op mijn nachtkastje stond op 10 minuten na middernacht. Maar er was niets te zien. Geen enkel geluid in huis. Alleen de golven van het Gardameer sloegen eentonig tegen de oevermuren van de tuin van het pensionaat.

Er was geen wind te horen. En toch had ik toen ik wakker werd een soort waaien van wind menen te horen. Net alsof mijn chef op het kantoor in een slecht humeur een vervelende brief op mijn schrijftafel wierp. Ik dacht een ogenblik na of ik op zou staan. Ach wat, zei ik vastberaden tegen mezelf, het is alleen maar je ophol geslagen fantasie door dat doodsbericht. Ik draaide me om, bad een Onze Vader voor de arme zielen in het vagevuur en sliep in.

 

EN IK DROOMDE:

Dat ik 's morgens om 6 uur was opgestaan en naar de huiskapel wilde gaan, toen ik bij het opendoen van de kamerdeur met mijn voet tegen een pakje losse velletjes van een brief stootte.

Ze opnemen, Annie's geschrift herkennen en een kreet uitstoten: dat gebeurde allemaal tegelijkertijd. Bevend hield ik de vellen papier in mijn handen. Een verstikkend gevoel overviel me. Ik wist dan ook niets beters te doen dan naar buiten te vluchten. Ik maakte mijn haar in orde, deed de brief in mijn handtas en ging het huis uit.

Na ongeveer een kwartier te hebben gelopen liet ik me op een bank vallen. Ik greep naar de brief. Er stond geen handtekening onder. Maar het was onmiskenbaar Annie's handschrift. Zelfs de wijde krul van de S en de op zijn Frans gescheven T die ze zich om mijnheer Gr. te ergeren had eigen gemaakt, ontbraken niet. De stijl was de hare niet. Tenminste, ze sprak niet zoals gewoonlijk. Ze kon namelijk heel vriendelijk babbelen en lachen. Alleen als we over religieuze vragen discussieerden kon ze giftig worden en in de harde toon van deze brief vervallen (Ik heb nu ook zelf al de opgewonden manier van spreken van haar brief aangenomen). Ik laat haar schrij­ven uit het hiernamaals hieronder woord voor woord volgen, zoals ik het in mijn droom heb gelezen.

 

HET LUIDDE ALS VOLGT:

 

’Clara! Bid maar niet voor me. Ik ben verdoemd. Ik deel dat wel aan je mee en zal je er uitvoerig over berichten, maar denk maar niet dat het uit vriendschap gebeurt. We houden hier van niemand meer. Ik doe het gedwongen. Ik doe het nu, als "deel van die macht, die steeds het boze wil maar steeds het goede doet" (als “Teil von jener Macht, die stets das Böse will, und stets das Gute schafft”). Om de waarheid te zeggen zou ik je ook in deze toestand willen zien belanden waarin ik nu voor eeuwig het anker heb uitgeworpen. Wees daar niet verbaasd over. Wij denken hier allemaal zo. Onze wil is in het kwaad -wat jullie nu eenmaal het "kwaad" noemen- versteend. Zelfs als we iets "goeds doen", zoals ik nu, doordat ik je ogen open over de hel, gebeurt dat niet met goede bedoelingen. Herinner je je nog? Vier jaar geleden leerden we elkaar in München kennen. Jij was 23 en al een half jaar op het kantoor toen ik er kwam. Je hebt me vaak uit de moeilijkheden geholpen. Je gaf mij als beginneling me­nige goede aanwijzing. Maar wat betekent "goed"? Destijds prees ik je "naastenliefde". Belachelijk! Je hulp kwam voort uit pure grootdoenerij, zoals ik overigens toen al vermoedde. Wij hier erken­nen geen goeds. In niemand.

Mijn jeugd ken je. Enkele leemten vul ik hier aan. Volgens het plan van mijn ouders had ik eigenlijk niet moeten bestaan. Ik was “een ongelukje". Mijn beide zussen waren al 14 en 15 jaar toen ik het levenslicht zag. Was ik maar nooit geboren! Kon ik me nu maar vernietigen, deze kwellingen ontlopen! Geen wellust zou gelijk zijn aan die, waarmee ik mijn bestaan zou verscheuren als een kledingstuk van as, waarvan de flarden in het niets vervliegen. Maar ik moet bestaan. Ik moet zijn zoals ik mezelf heb gemaakt: met een gemist bestaansdoel.

Toen mijn vader en moeder, nog vóór hun trouwen, van buiten naar de stad waren getrokken, hadden ze allebei de voeling met de Kerk verloren. Het was ook beter zo. Ze sloten zich aan bij kringen die niets met de Kerk hadden uit te staan. Ze leerden elkaar kennen op een dansfeest en een half jaar later "moesten" ze trouwen. In hun huwelijk is er aan hen maar zo weinig wijwater blijven hangen, dat moeder niet meer dan een paar maal in het jaar op zondag naar de kerk ging. Ze heeft me niet echt leren bidden. Ze ging op in de alledaagse zorgen, hoewel we het thuis niet zwaar hadden. Woorden als bidden, Mis, wijwater, kerk, schrijf ik met een onvoor­stelbare walging op! Ik heb er een afschuw van, net als van pilaarbijters en sowieso van alle mensen en van alle dingen. Want alles is een oorzaak van kwelling voor ons. Ieder inzicht dat we tijdens ons overlijden hebben gekregen, iedere herinnering aan iets dat we hebben meegemaakt of geweten is een steekvlam voor ons. En alle herinneringen draaien naar ons de kant toe die er genade aan was. Die wij hebben versmaad. Wat dat een pijn doet!

 

Wij eten niet, we slapen niet. We lopen niet met onze voeten. Met geketende ziel staren we met "geween en tandengeknars" naar ons ver­knoeide leven. Hatend en gepijnigd. Hoor je! We drinken hier de haat als water. Ook tegen elkaar.

Maar het meest haten we God. Ik wil het je begrijpelijk maken. De heiligen in de hemel moeten Hem beminnen. Want ze zien Hem zonder sluier in Zijn verblindende schoonheid. Dat maakt hen onbeschrijf­lijk zalig. Wij weten dat en dit inzicht maakt ons razend. De mensen op aarde, die God kennen uit de schepping en de openbaring, kúnnen Hem beminnen; gedwongen zijn ze niet. De gelovige -ik schrijf dit knarsetandend neer- die aandachtig mediteert over Jezus die aan het kruis is genageld, gaat van Hem houden. Maar degene zoals wij, op wie God toekomt als de Straffende, de Wrekende, de Rechtvaardige die eens door ons is verworpen: die haat Hem. Met de volheid van zijn boze wil. Eeuwig. Vanwege het vrijwillige besluit om van God afgekeerd te zijn waarmee we onze ziel stervend hebben uitgeademd. En dat we ook nu niet terug willen trekken en nooit zullen willen terugtrekken.

Begrijp je nu waarom de hel eeuwig duurt? Omdat onze hardnekkigheid nooit wegsmelt.

Gedwongen voeg ik hieraan toe, dat God zelfs tegenover ons barm­hartig is. Ik zeg "gedwongen". Want, al schrijf ik deze brief tegen mijn wil, het is me toch niet toegestaan om te liegen, hoe graag ik het ook zou doen. Tegen mijn wil zet ik veel dingen op papier. Ook moet ik de vloed van verwensingen die ik zou willen uitbraken inslikken. God is barmhartig geweest voor ons omdat Hij ons op aarde onze slechte wil niet liet uitleven zoals we dat zouden hebben willen doen. Want dat had onze schuld en onze straf nog groter gemaakt. Hij liet ons voortijdig sterven, zoals in mijn geval, of andere milderende om­standigheden optreden. Nu toont Hij zich tegenover ons barmhartig omdat Hij ons niet dwingt dichter bij Hem te komen vanuit deze verre helleplaats en dat vermindert de kwelling.

Ieder stap naar God toe zou me meer pijn doen dan voor jou een stap naar een brandende hoogoven.

Je was ontdaan toen ik je tijdens een wandeling eens vertelde dat mijn vader twee dagen voor mijn eerste communie tegen me zei: "Zorg dat je een mooie jurk krijgt, Anneke, al het andere is toch maar flauwekul!" Ik had me bijna zelf geschaamd over je schrik. Nu lach ik erom. Het enige verstandige bij die flauwekul was, dat ze ons pas met twaalf jaar te communie lieten gaan. Toen had ik de smaak van de wereldse pleziertjes al zozeer te pakken dat ik het godsdienstige luchthartig wegwuifde; me van de communie niet veel aantrok. Dat veel kinderen nu al met zeven jaar te communie gaan maakt ons woe­dend. We doen alles om de mensen wijs te maken dat de kinderen er dan nog niets van begrijpen. Ze moeten eerst enkele doodzonden hebben gedaan! Dan schaadt de witte Heer God hun niet meer zo als wanneer het geloof, de hoop en de liefde –pfoeh! Hou op daarover!– van het doopsel nog in het kinderhart leven! Herinner je je, dat ik dit standpunt al op aarde verdedigde?

Ik had het over mijn vader. Hij lag vaak met moeder overhoop. Dat heb ik je maar zelden laten voelen; ik schaamde me erover. Belachelijk iets, die schaamte! Voor ons maakt het hier allemaal niets meer uit.

Ze sliepen ook niet meer in dezelfde kamer, maar ik bij mijn moeder en mijn vader in de kamer ernaast, waar hij op elk uur van de nacht naar binnen kon gaan. Hij dronk veel en hij verdronk ons hele bezit. Mijn beide zussen hadden een baan en hadden hun geld zelf nodig, zeiden ze. Mijn moeder begon te werken om er iets bij te verdienen. In zijn laatste levensjaar heeft vader mijn moeder vaak geslagen als ze hem niets wilde geven. Tegen mij was hij altijd lief. Op zekere dag, dat heb ik je verteld, en je hebt je toen over mijn verwendheid geërgerd -wat heb je je aan mij geërgerd!-, op zekere dag dus heeft hij tot tweemaal toe schoenen die we hadden gekocht teruggebracht om ze om te ruilen, omdat het model en de afwerking me niet modern genoeg waren. In de nacht waarin mijn vader door een dodelijke beroerte werd getroffen, is er iets gebeurd dat ik je uit angst voor een uitleg die niet zo aardig voor mij zou klinken, niet heb willen toevertrou­wen. Maar nu moet je het weten. Want het is merkwaardig, alleen al door het feit dat ik toen voor de eerste maal door mijn tegen­woordige kwelgeest werd aangesproken.

Ik sliep bij mijn moeder in de kamer. Aan haar regelmatige ademhaling was duidelijk dat zij vast in slaap was. Daar hoorde ik plotseling mijn naam roepen. Een onbekende stem zei: "En als je vader nu eens doodgaat?" Ik hield niet meer van mijn vader, omdat hij moeder zo grof behandelde; zoals ik eigenlijk van niemand meer hield, maar alleen aan diegenen gehecht was die goed voor me waren. Liefde zonder uitzicht op aardse tegenprestatie leeft alleen in zielen die in staat van genade zijn. Dat was ik niet. Zo antwoordde ik op die geheimzinnige vraag zonder me rekenschap te geven waar hij vandaan kwam: "Hij gaat toch niet dood!"

Na een korte tijd weer diezelfde duidelijk te horen vraag: "Hij gaat toch niet dood", antwoordde ik nogmaals nors. Voor de derde maal werd ik aangesproken: "En als je vader nu eens doodgaat?" Ik dacht eraan hoe vader vaak dronken thuis kwam, lawaai maakte, moeder mishandelde en hoe wij door hem in een hachelijke positie tegenover de mensen werden gebracht. Daarom riep ik kwaad terug: “Dat komt dan goed uit!" Daarna werd alles stil.

De volgende morgen, toen moeder vaders kamer wilde opruimen, vond ze de deur gesloten. Tegen de middag brak men hem open. Vader lag half aangekleed op bed -een lijk. Bij het halen van bier uit de kel­der moet hij kou gevat hebben. Hij sukkelde al lange tijd (Heeft God het dus aan de wil van een kind verbonden, die nog enigszins van hem hield, of Hij hem nog langer de gelegenheid tot bekering zou geven? -Wat een verantwoordelijkheid voor hen die de gelegenheid verzuimen om goed te doen aan hun naaste).

Martha K. en jij hebben me overgehaald om bij de meisjesjeugdbeweging te gaan. Ik heb overigens nooit onder stoelen of banken gestoken dat ik de raadgevingen van de beide leidsters X rijkelijk pastoorsachtig vond. De spelletjes waren wel leuk. En ik had daarbij al gauw, zoals je weet, een leidende rol. Dat beviel me. Ook de uitstapjes bevie­len me. Ik liet me zelfs enkele keren overhalen om te biechten en te communie te gaan. Eigenlijk had ik niets te zeggen. Ideeën en gesprekken zeiden mij niets en voor ergere daden was ik nog niet verdorven genoeg. Je hebt me eens gewaarschuwd: "Annie, als je niet bidt, ga je verloren!"

Ik bad inderdaad weinig. En ook met tegenzin. Maar je had meer dan gelijk. Allen die in de hel branden hebben niet of te weinig gebeden. Het gebed is de eerste stap naar God. Het blijft de beslissende. Vooral het gebed tot Degene die de Moeder van Christus is en die we hier niet noemen. De godsvrucht tot haar ontrukt veel zielen aan de duivel die de zonde hem absoluut zeker in handen zou hebben gespeeld. Woedend vervolg ik -omdat ik moet-: bidden is het makkelijkste wat een mens kan doen op aarde. En juist aan dit makkelijkste heeft God het heil verbonden. Aan wie volhardend bidt geeft Hij geleidelijk zoveel licht en Hij sterkt hem dermate, dat ook de diepst gezonken zondebok zich nog definitief kan oprichten. Al zit hij ook tot aan zijn nek in de modder.

In mijn laatste jaren heb ik helemaal niet meer goed gebeden en me zo beroofd van de genaden zonder welke niemand zalig wordt. Hier krijgen we geen genade meer. Maar zelfs als we die zouden krij­gen zouden we het met hoongelach afwijzen. Alle schommelingen van het aardse bestaan hebben in het hiernamaals opgehouden. Bij jullie op aarde kan de mens van uit een staat van zonde in de staat van genade glijden. En van de genade in de zonde vallen. Dikwijls uit zwakheid, soms uit slechtheid. Met de dood is er aan deze onvolmaaktheid van het op- en neerspringen van de menselijke voeten een einde gekomen. De eindtoestand is bereikt. Met het klimmen van de jaren worden de sprongen al kleiner. Het is waar, tot aan de dood toe kan men zich naar God wenden of Hem de rug toekeren. Maar de mens besluit met de laatste zwakke wilsopwellingen voor zijn overlijden haast automatisch zo als hij in zijn leven gewoon was. Een goede of een kwade gewoonte wordt een tweede natuur. Deze drijft hem voort. Ook mij. Ik leefde sinds jaren van God afgekeerd. Zo besliste ik bij de laatste oproep van de genade tégen God.

Niet het feit dat ik vaak zondigde werd mij noodlottig, maar dat ik niet meer wilde opstaan.

Je hebt me meermaals aangespoord om naar een preek te gaan luisteren of om godsdienstige boeken te lezen. Ik had er geen tijd voor, luidde mijn antwoord regelmatig. Had ik mijn innerlijke onzekerheid nog groter wil­len maken?

Ik moet overigens vaststellen: toen ik er al zo voorstond, kort voor mijn uittreding uit de jeugdbeweging, zou het me ongelofelijk zwaar zijn gevallen om nog een andere weg in te slaan. Ik voelde me onzeker en ongelukkig. Maar er stond een muur tussen mij en een bekering. Dat zal jij niet hebben vermoed. Je stelde het zo eenvoudig voor toen je eens zei: "Leg toch een goede biecht af, Annie, en alles is weer in orde!" Ik had het gevoel dat het zo was. Maar de wereld, de duivel en het vlees hadden me al veel te vast in hun greep.

Aan de invloed van de duivel heb ik nooit geloofd. Nu getuig ik dat hij op zulke mensen als ik toen was een enorme invloed uitoefent. Alleen door veel gebe­d van anderen en van mijzelf, verbonden met offers en lijden, had ik uit zijn macht kunnen komen. En zelfs dan alleen geleidelijk. Al zijn er weinig uiterlijk bezetenen, het wemelt daarentegen van de innerlijk bezetenen. De duivel kan de vrije wil van degenen die zich aan zijn invloed overgeven niet afnemen. Maar tot straf voor hun als het ware systematische afval van God, laat Deze het toe dat de "Boze" zich in hen nestelt. Ik haat de duivel óók. En desondanks bevalt hij me, omdat hij probeert jullie in het verderf te storten; hij en zijn handlangers, de aan het begin van de tijden samen met hem geval­len geesten. Er zijn er miljoenen van. Ze zwerven over de aarde rond, dicht als een zwerm muggen, en jullie hebben er nauwelijks een vermoeden van. Wij, verworpen mensen, mogen jullie niet bekoren; dat komt de geval­len geesten toe. Het vermeerdert weliswaar hun kwelling, iedere keer dat ze een ziel meesleuren in de hel. Maar wat kan haat niet doen!

Niettegenstaande ik goddeloze paden bewandelde ging God achter me aan. Ik effende de weg voor de genade door natuurlijke diensten van liefde, die ik door de neiging van mijn aard vaak verrichtte. Soms lokte God me een kerk in. Daar kreeg ik een soort heimwee. Als ik ondanks een hele dag werken op kantoor voor mijn ziekelijke moeder zorgde en me werkelijk enigszins opofferde, werkten deze aanlokkingen van God sterk op mij in. Op een keer toen je me tussen de middag had meegeno­men naar de kapel van het ziekenhuis, overviel het me zó, dat er nog maar één stap nodig was geweest of ik zou me hebben bekeerd. Ik huilde. Maar toen spoelde de zucht naar het wereldse weer over de genade heen. Het koren verstikte onder de dorens. Met de verklaring dat godsdienst een kwestie van de gevoelens is, zoals op kantoor steeds werd gezegd, veegde ik ook deze hernieuwing van de genade van tafel, net als de andere keren.

Je hebt me eens een standje gegeven omdat ik in plaats van tot op de grond te knielen, alleen maar een ongemanierd gebaartje maakte. Je vond dat luiheid. Vermoedde je dat ik toen al niet meer geloofde aan de tegenwoordigheid van Christus in het Sacrament? Nú geloof ik eraan, maar zuiver natuurlijk, zoals je aan onweer gelooft, waarvan je de gevolgen kan waarnemen.

Intussen had ik op mijn manier een godsdienst gemaakt. Ik hield er de mening op na die bij ons op het werk schering en inslag was, dat de ziel na de dood in een ander wezen overgaat (reïncarnatie); zo zou ze eindeloos verder trekken. Daarmee was de bange vraag over het hiernamaals tegelijk onder ogen gezien en voor mij onschadelijk gemaakt. Waarom heb je me niet herinnerd aan de gelijkenis van de rijke vrek en de arme Lazarus, van wie Christus onmiddellijk na hun dood de ene naar de hel stuurt en de andere naar het paradijs? Maar wat had je daarmee bereikt? Niet meer dan met je andere overdreven vrome praat.

Geleidelijk aan knutselde ik voor mezelf een God in elkaar; voldoende "op niveau" om God te worden genoemd; voldoende ver van mij, om geen betrekkingen met hem te hoeven onderhouden. Vaag genoeg om hem tot een pantheïstische wereldgod (“wereldziel”) te laten uitdijen, of tot een soort eenzame vrijgezel te laten inkrimpen (een God die niets met de wereld te maken heeft), al naargelang mijn behoefte; en zonder dat ik mijn godsdienst hoefde te veranderen. Deze God had me geen hemel te schenken en geen hel op te leggen. Ik liet hem met rust. Daarin bestond mijn aanbidding voor hem.

"Waar je van houdt, daar wil je graag in geloven". In de loop van de jaren was dat (hierboven beschrevene) dus mijn godsdienstige overtuiging. Je kon ermee leven. Maar er was één ding dat me zou hebben gebroken: een groot en langdurig lijden. En dat lijden kwam niet. Begrijp je nu wat het betekent: “God kastijdt degenen die Hij bemint”?

Het was op een zomers dag in juli toen de jeugdvereniging een uitstapje naar A. had gepland (bedoeld is waarschijnlijk Altötting in Beieren, een Mariabedevaartsoord; vert.). De excursie op zich leek me wel leuk. Maar die stomme preken en dat vrome gedoe! Sinds kort stond er een ander beeld dan dat van de Moeder van Genaden van A. op het altaar van mijn hart: de aantrekkelijke Max N. van de winkel naast ons. We hadden kort tevoren al meermalen gekheid met elkaar gemaakt.

Hij had me juist voor deze zondag uitgenodigd om ergens heen te gaan. Het meisje met wie hij altijd uitging lag in het ziekenhuis. Hij had wel gemerkt dat ik een oogje op hem had. Ik dacht er toen nog niet aan om met hem te trouwen. Hij was weliswaar welgesteld, maar mij te aardig tegen alle mogelijke meisjes. En ik wilde nog altijd een man, die alleen van mij zou zijn: ik wilde niet alleen de vrouw zijn van iemand, maar de enige vrouw. Een zeker natuurlijk fatsoen heb ik altijd wel gehad’. (Dat is waar. Annie had bij al haar religieuze onverschilligheid iets voornaams. Ik schrok bij de gedachte dat ook "fatsoen­lijke" mensen in de hel kunnen komen, als ze maar "onfatsoenlijk" genoeg zijn om God uit de weg te gaan). ‘Bij het genoemde zondagsuitstapje was Max een en al atten­tie. Geen priesterachtige gesprekken zoals bij jullie! De volgende dag, op kantoor, heb je me verweten waarom ik niet met jullie was meegegaan naar A. Ik vertelde je mijn zondagse uitje. Je eerste vraag was: "Ben je naar de kerk geweest?" Idioot, hoe kon dat nou, omdat we al om 6 uur ’s morgens zouden vertrekken! Weet je nog hoe ik daar geïrriteerd aan toevoegde: Onze Lieve Heer denkt niet zo kleinzielig als die priestertjes van jullie! Nú moet ik bekennen: Ondanks zijn eindeloze goedheid weegt God de dingen veel nauwkeuriger dan alle priesters.

Na het eerst uitstapje met Max ben ik nog eenmaal naar de jeugdvereniging gegaan. Met Kerstmis, voor het feest. Dat was iets dat me aantrok om nog eens terug te gaan. Maar innerlijk was ik al van jullie vervreemd. Bioscoop, dansen, uitstapjes, het ene volgde op het andere. Max en ik maakten soms wel ruzie, maar ik wist hem steeds weer aan me te binden. Mijn rivale maakte het me heel moeilijk; toen ze weer uit het ziekenhuis was, ging ze als een razende te keer. Eigenlijk tot mijn geluk, want mijn voorname rust maakte grote indruk op Max en gaf uiteindelijk de doorslag zodat hij aan mij de voorkeur gaf. Ik wist hoe ik haar bij hem zwart kon maken; koel redenerend, uiterlijk zakelijk, innerlijk gif spuwend. Zulke gevoelens en handelingen zijn een voortreffelijke voorbereiding voor de hel. Ze zijn "duivels” in de strikte zin van het woord. Waarom vertel ik je dat? Om aan te geven hoe ik me definitief van God heb losgemaakt.

Niet dat het overigens heel vaak tussen Max en mij tot de laatste intimiteiten was gekomen. Ik begreep dat ik me in zijn ogen verlaagde als ik me voortijdig liet uitdrinken. Daarom hield ik me gereserveerd.

Maar op zich was ik zo vaak ik het nodig vond ten allen tijde tot alles bereid. Ik moest Max veroveren. Daarvoor was niets te duur. Bovendien begonnen we elkaar langzamerhand lief te hebben, daar we beiden waardevolle eigenschappen bezaten die we in elkaar konden waarderen. Ik was handig, knap, een goede gezelschapspartner. Zo kreeg ik Max zo vast in de hand, dat ik hem, tenminste de laatste maanden voor het huwelijk, alléén bezat.

Daarin bestond mijn afval van God: dat ik een schepsel tot mijn God verhief. Nergens kan dit zo allesomvattend gebeuren als in de liefde tot een mens van het andere geslacht, wanneer die in het aardse blijft steken. Dat maakt haar charme, haar angel en haar gif uit. De aanbidding die ik voor Max had werd voor mij het praktiseren van een godsdienst. Het was in de periode dat ik me op kantoor giftig uitliet over kerkelijke zaken, geestelijken, aflaten, rozenkransgewouwel en soortgelijke nonsens.

Jij hebt min of meer intelligent geprobeerd om deze dingen in bescherming te nemen, schijnbaar niet vermoedend dat het bij mij in werkelijkheid niet om deze dingen ging, maar dat ik eerder een houvast tegen mijn geweten zocht. Ik had het toentertijd nog nodig om mijn afvalligheid ook verstandelijk te rechtvaardigen.

In de grond van de zaak rebelleerde ik tegen God. Dat zag jij niet in. Je hield me nog steeds voor katholiek. Daar wilde ik ook voor doorgaan; ik betaalde zowaar de kerkelijke bijdragen. Een bepaalde "rugdekking" kon immers geen kwaad, dacht ik. Je antwoorden konden soms treffend zijn, maar op mij gleden ze af, omdat je geen gelijk mócht hebben.

Door deze verziekte verhouding was het verdriet van onze scheiding toen we door mijn huwelijk uit elkaar gingen maar klein. Vóór het huwelijk biechtte en communiceerde ik nog éénmaal. Het was toch voorgeschreven. Ik en mijn man dachten hier hetzelfde over. Waarom zouden we deze formaliteit niet vervullen? We vervulden ze, zoals iedere andere formaliteit. Jullie noemen dat onwaardig. Na die "onwaardige" communie had ik meer rust in mijn geweten. Het was overigens de laatste.

Ons huwelijksleven verliep in het algemeen heel harmonisch. We waren het op alle punten zo roerend eens. Ook daarover, dat we ons de last van kinderen niet op de hals wilden halen. In de grond van de zaak had mijn man er wel graag eentje willen hebben -natuurlijk niet meer!-, maar ik wist hem uiteindelijk ook dat uit zijn hoofd te praten. Kleren, mooie meubelen, restaurants, autotoch­ten en dergelijk amusement lagen me meer.

Het jaar tussen de bruiloft en mijn plot­selinge dood was een jaar van aardse genoegens. Iedere zondag gingen we met de auto weg of gingen we op bezoek bij de familie van mijn man (Voor mijn moeder schaamde ik me nu). Die dreven net zo aan de oppervlakte van het bestaan als wij.

Innerlijk voelde ik me weliswaar niet gelukkig, al kon ik uiter­lijk nog zo lachen. Er knaagde altijd iets onbestemds aan mij. Ik zou hebben gewild dat na de dood, die wat mij betreft vanzelfsprekend nog lang mocht wachten, alles was afgelopen.

Maar het is waar wat ik als kind eens in een preek hoorde zeggen, dat God al het goede dat een mens doet beloont. Als Hij het niet kan vergelden in het hiernamaals, doet Hij het op aarde. Onverwachts kreeg ik een erfenis (van tante Lotte). Het lukte mijn man om zijn salaris behoorlijk te verbeteren. Ik kon onze woning prachtig inrichten.

Het religieuze schemerde nog slechts in de verte. De restaurants in de stad, de hotels waar we op reis onze intrek in namen, brach­ten ons niet dichter bij God. Allen die daar vaker kwamen leefden zoals wij, van buiten naar binnen: niet van binnen naar buiten. Als we op een vakantiereis een beroemde kerk bezochten, wilden we alleen maar genieten van het artistieke gehalte van de kunstwerken. De religieuze sfeer die ervan uitging, vooral van die uit de middeleeuwen, wist ik te neutraliseren door me over een of andere bij­komstigheid tijdens de bezichtiging te ergeren: een zorgeloos ge­klede of onbeholpen kloosterbroeder, die ons rondleidde, het "schandaal" dat monniken die vroom willen zijn, likeur verkopen; het eeuwige klokkengelui voor de eredienst, terwijl het toch allemaal maar om het geld was begonnen...

Zo wist ik de genade steeds weer als zij aanklopte af te wijzen. Ik liet mijn ontstemming vooral de vrije loop bij bepaalde ouderwetse uitbeeldingen van de hel -op kerkhoven of ergens anders- waar de duivel de zielen roostert in rode en witte vuurgloed en zijn helpers met lange staarten nieuwe slachtoffers naar hem toe slepen. Clara: de hel kan verkeerd getekend worden, maar hij kan niet worden overdreven!

Het vuur van de hel heb ik altijd bijzonder op de korrel genomen. Je weet hoe ik je bij een gesprek daarover eens een brandende lucifer on­der je neus hield en spotte: ruikt het zo? Je blies de vlam meteen uit. Hier blaast niemand hem uit.

Ik zeg je: het vuur waar de Bijbel over spreekt is niet de gewetenskwelling. Vuur is vuur. Wat Hij gezegd heeft moet letterlijk worden opgevat: Ga weg van mij, vervloekten, in het eeuwige vuur! Let­terlijk! Hoe kan de geest door stoffelijk vuur geraakt worden, vraag je je misschien af. Hoe kan op aarde je ziel lijden, als je je vinger in de vlam houdt? De ziel brandt dan toch ook niet; maar wat een pijn voelt de hele mens!

Precies zó zijn wij hier naar de ziel aan het vuur gebonden, op de wijze van ons wezen en van onze vermogens. Onze ziel is haar natuur­lijke vleugelslag kwijt: we kunnen niet denken wat we willen en niet zoals we willen. Kijk niet verbaasd op bij deze mededelingen, want deze toestand, die jullie niets zegt, verzengt mij, zonder me te verbranden.

Onze grootste kwelling bestaat hierin dat we heel goed weten dat we God nooit zullen zien. Wat kan dat pijn doen, terwijl het iemand op aarde zo onverschillig laat! Zolang het mes op tafel ligt, doet het je niets. Je ziet zijn scherpte, maar voelt het niet. Maar steek het mes in je vlees en je huilt van de pijn. Nu voelen we Gods verlies; vroeger dachten we er alleen maar aan.

Niet alle zielen lijden evenveel. Hoe boosaardiger en hoe fundamenteler iemand gezondigd heeft, des te zwaarder drukt het verlies van God op hem, wordt hij door de door hem misbruikte schepping gewurgd. Verdoemde katholieken lijden meer dan andersdenkenden, omdat ze meestal meer licht en genade hebben gekregen en met voeten hebben getreden. Wie méér geweten heeft, lijdt erger dan wie minder inzag. Wie uit slechtheid heeft gezondigd lijdt vreselijker dan wie uit zwakheid viel. Maar niemand lijdt meer dan hij verdiend heeft. 0, was dat maar niet zo, dan zou ik een reden hebben om te haten!

 

Je hebt eens tegen me gezegd: "Niemand komt in de hel zonder het te weten." Dat zou aan een heilige zijn geopenbaard. Ik lachte er om, maar verschanste me vervolgens achter deze verklaring: zo nodig zal er nog wel tijd voor bekering zijn, dacht ik in stilte.

De uitspraak klopt. Ik kende voor mijn plotselinge einde de hel wel niet zoals hij is. Niemand op aarde kent hem. Maar ik was me er heel goed van bewust: als je sterft ga je naar het hiernamaals over, afgekeerd van God, en zul je de gevolgen dragen. Ik keerde niet om, zoals gezegd, meegesleurd door de stroom van de gewoonte, gedreven door die sleur van waaruit de mensen hoe langer hoe meer handelen naarmate ze ouder worden. Zo trad mijn dood in.

Het was een week geleden - ik spreek volgens jullie tijdrekening, want aan de pijn gemeten kan ik evengoed al tien jaar in de hel branden - een week geleden dus maakten mijn man en ik op een zondag het uitstapje dat mijn laatste zou zijn. De dag was stralend aangebroken. Ik voelde me in een zeldzame stemming. Een onheilspellend geluksge­voel bekroop me de hele dag. En toen werd mijn man plotseling, toen we naar huis teruggingen, door een tegemoetkomende auto verblind. Hij raakte de controle over het stuur kwijt.

Jezus!, drong het tot mij door. Niet als een gebed, enkel als een schreeuw. Ik werd door een verpletterende pijn in elkaar geperst. Vergeleken met de pijn hier een bagatel. Toen verloor ik het bewustzijn.

Vreemd, maar die morgen was in mij op een onverklaarbare manier de gedachte opgekomen: Je zou weer eens naar de Mis moeten gaan. Het klonk als een smeekbede. Helder en welbewust. sneed mijn "Nee" deze gedachtegang af. Daarmee moest het nu eindelijk eens amen en uit zijn. "De gevolgen neem ik op me”. Nu draag ik ze. Wat er na mijn dood gebeurde, zul je wel weten. Het lot van mijn man, van mijn moeder, wat er met mijn lijk gebeurde en het verloop van mijn begrafenis zijn me tot in de details bekend door de natuurlijke kennis die we hier hebben. Wat er verder op aarde gebeurt weten we slechts mistig. Maar wat op een of andere manier met onszelf te maken heeft gehad weten we wel. Zo zie ik ook waar jij verblijft.

Ikzelf ontwaakte op het ogenblik van mijn dood plotseling uit het duister. Ik zag dat ik door een doordringend licht was omringd. Het was op dezelfde plaats waar mijn lijk lag. Het gebeurde als in een schouwburg: als de lampen in de zaal uitgaan, met geraas het doek opgaat en een onvermoed toneel te zien is, akelig fel belicht. Het toneel van mijn leven. Zoals in een spiegel toonde mijn ziel zich aan zichzelf. De vertrapte genaden van mijn jeugd af aan tot aan mijn allerlaatste "nee" tegenover God. Het werd me te moede als een moordenaar die men tijdens het proces zijn ontzielde slachtoffer laat zien. Berouwen, nooit! Me schamen: nooit! Maar ik kan het ook niet uithouden, onder de ogen van de door mij verworpen God. Zo bleef er maar één ding over- vluchten. Zoals Kaïn vluchtte voor het lijk van Abel, zo vluchtte mijn ziel voor deze gruwelijke aanblik. Dat was het "Bijzonder Oordeel" (het persoonlijk oordeel van ieder mens onmiddellijk na de dood)... Ikzelf rukte me los van God! Terug? Nooit! Nee!’

Zo eindigde Annie's brief. De laatste woorden waren haast onlees­baar. Maar wat was dát? Door de scherpe toon van de mededelingen die ik had menen te lezen, klonk mild de klank van een klok heen. Ik werd wakker. Ik lag nog in mijn kamer. Door het venster was het morgenrood zichtbaar. Uit de kerktoren kwam het gelui van het Angelus.

Was alles dus alleen maar een droom geweest? Nooit heb ik de troost van het weesgegroet zó gevoeld als na deze droom. Langzaam bad ik het Engel des Heren. En toen werd het me heel duidelijk: aan Haar moet je je vasthouden, aan de gezegende Moeder van de Heer. Maria kinderlijk vereren, wil je niet het lot ondergaan dat een ziel je heeft afgeschilderd –al is het in een droom- die God nooit meer zal zien. Nog bevend van de vreselijke nacht stond ik op, kleedde me haastig aan en holde de trappen af, naar de kapel. Mijn hart bonsde in mijn keel. De nog weinige gasten (van het klooster) die naast me neerknielden zullen waarschijnlijk gedacht hebben dat ik zo opgewonden was omdat ik de trappen zo snel was afgehold.

Een goede oude mevrouw uit Boedapest die veel te lijden had, hulpbehoevend was als een kind en slechtziend, maar heel gelovig en in geestelijke zaken een scherpe blik had, zei die middag in de tuin glimlachend tegen me: “Jongedame, de Heiland wil niet in een sneltrein bediend worden!” Maar ze merkte meteen dat er iets anders was waardoor ik van slag was. Bemoedigend voegde ze er aan toe: “Je moet nergens angstig door worden! Je kent toch wel de uitspraak van de heilige Teresia? Je moet nergens bang van worden, alles vergaat. God blijft dezelfde. Met geduld bereik je alles. Wie God bezit komt niets tekort. God alleen is voldoende!” Terwijl ze dat zachtjes en helemaal niet belerend tegen me fluisterde, leek het of ze in mijn ziel las. “God alleen is voldoende!” O ja, Hij zal voldoende voor me zijn, hierbeneden en daarboven. Eens wil ik Hem daar bezitten, al kost het hier nog zoveel offers. Ik wil de beproevingen van het aardse leven doorstaan en vasthouden aan de liefde tot God, opdat ik Hem voor eeuwig mag bezitten, Hij die alleen vrede, vreugde en geluk is, terwijl alle aardse vreugden vergaan”.

 

CheckStat