Karl kardinaal Lehmann

Naar een lekenspiritualiteit

 “Het is de verdienste van Escrivá dat hij de aanzetten van de traditie aangrijpt om daaruit niet alleen een ‘spiritualiteit voor leken’ maar veeleer een ‘lekenspiritualiteit’ te halen. In dit opzicht is Escrivá zonder twijfel een voorloper van het Tweede Vaticaans Concilie.” Een maand na de heiligverklaring op 6 oktober 2002 te Rome en in het honderdste geboortejaar van Escrivá hield de voorzitter van de Duitse bisschoppenconferentie kardinaal Karl Lehmann op uitnodiging van het Opus Dei in Duitsland een lezing over gestalte en betekenis van Josemaría Escrivá. De voordracht in Berlijn had als titel: Erneuerte Weltverantwortung aus dem Glauben. Zur Gestalt und Bedeutung des neuen Heiligen Josemaría Escrivá de Balaguer. De heiligverklaring wordt gezien als de afsluiting van een normalisatieproces van het Opus Dei, dat begon met de oprichting als personele prelatuur in 1982 en voortging met de zaligverklaring van Escrivá in 1992. Volgens kardinaal Lehmann “kan de Kerk het zich tegenwoordig niet veroorloven charisma’s die in haar schoot zijn ontstaan en opgebloeid te veronachtzamen”.

I. Heiligverklaring van Escrivá

De heiligverklaring van de stichter van het Opus Dei, Josemaría Escrivá de Balaguer, op zondag 6 oktober 2002, is een goede aanleiding om ons meer in zijn spirituele en kerkelijke gestalte te verdiepen. Dit is bij elke nieuwe zalige of heilige noodzakelijk. In dit geval is het nog meer van belang. Niet zozeer omdat de uit Spanje afkomstige priester al meer dan 27 jaar dood is, maar veeleer omdat de meningsvorming over hem voor een belangrijk deel bepaald is door wat men over het door hem gestichte Opus Dei dacht. Hoewel de frequentie daarvan steeds meer afneemt, zijn er ook nu nog vrij resolute ideeën en heftige discussies over het Opus Dei.1 Ook voor de heiligverklaring was er al veel om het Opus Dei te doen. Het lijkt mij daarom des te noodzakelijker, nu eens sine ira et studio op de spirituele gestalte van de stichter van het Opus Dei terug te komen.

De belangrijkste soort kritiek wordt al snel duidelijk, wanneer we de kafttekst van het boek van Hertel Schleichende Übernahme lezen: “Ongelooflijk wat er allemaal nog gebeuren kan: de heiligverklaring van Josemaría Escrivá, de stichter van het Opus Dei. Een doel van zijn geheime bond is de macht binnen de rooms-katholieke Kerk te veroveren. Het onvervuilde Opus Dei zou als het werk van God de Kerk, die na het laatste concilie vervuild zou zijn, weer schoon moeten maken en naar de oude tradities terug moeten voeren. Omdat de paus niet alleen door de heilige Geest zou worden geïnspireerd, zou het Opus Dei dit gat op moeten vullen.” Peter Hertel maakt duidelijk met welke middelen de streng georganiseerde formatie het commandocentrum overneemt: “De machtstoename van de geheime bond is groot, het bestuursapparaat van de paus is al geïnfiltreerd en de keuze van de volgende paus is door het Opus Dei al ‘goed’ voorbereid. De ontdekking dat er bij de heiligverklaring tegen de door de Kerk voorgeschreven regels werd ingegaan laat zien hoe geraffineerd het Opus Dei te werk gaat.”

Het zal niet makkelijk zijn om een in elk opzicht neutraal beeld, zonder vooroordelen, van een heilige te vormen. Ook heiligen hebben net als alle andere mensen recht op respect voor de goede naam en op bescherming tegen vooroordelen over de persoon. Ik zie in de onbevangen voorstelling van het leven en werk, vooral ook van de spirituele gestalte van Escrivá, de enige mogelijkheid, door deze vooroordelen en vertekeningen heen, het authentieke beeld te verkrijgen. Dat zal in deze bijdrage worden geprobeerd. Men zal niet om het spirituele profiel, het kleine boek De Weg, heen kunnen, dat in meer dan veertig talen verschenen is en waarvan meer dan vier miljoen exemplaren verspreid zijn.

II. Zijn leven

Om zijn spirituele gestalte te kunnen begrijpen, is het misschien goed, ons eerst in de belangrijkste gebeurtenissen uit het leven van de stichter te verdiepen. Hij heeft in de periode van 1902 tot aan zijn dood in 1975 een voor Europa en in het bijzonder voor Spanje zeer zware en moeilijke tijd moeten doormaken. Het was een periode waarin twee wereldoorlogen en de Spaanse burgeroorlog van 1936 tot 1939 plaatsvonden. Josemaría Escrivá werd op 9 januari 1902 in Barbastro, in de Spaanse provincie Aragón, geboren. Hij was het tweede kind van José Escrivá y Corzán en van María Dolores Albás Blanc. Het zusje van Josemaría, Carmen, was zo’n drie jaar ouder dan hij. Zijn vader had een textielzaak en een kleine chocoladefabriek. Toen de jongen twee jaar oud was, werd hij zo ziek, dat de artsen hem hadden opgegeven. Zijn ouders baden tot de Maagd Maria en beloofden haar naar het bedevaartplaatje Torreciudad te gaan als Josemaría zou genezen. Het wonder gebeurde; Josemaría werd plotseling weer gezond. Tussen 1910 en 1915 stierven de drie na Josemaría geboren zusjes: Rosario, María Dolores en Chon in de leeftijd tussen 9 maanden en 8 jaar. Kort voor de Eerste Wereldoorlog uitbreekt begint Josemaría met zijn opleiding aan het gymnasium in Barbastro dat door de paters Piaristen wordt geleid (1912-1915). Tussen 1915 en 1917 gaat het bedrijf van zijn vader failliet. De familie verhuist naar Logroño.

Rond de jaarwisseling van 1917/1918 maakt de jongen iets mee dat van invloed zal zijn op zijn verdere leven. In de sneeuw ziet hij de voetsporen van de blote voeten van een karmeliet. Deze voetsporen maken in zijn hart het vurige verlangen naar een grote bereidheid voor God los. Het is het eerste teken van zijn roeping. Hij besluit priester te worden. In 1918 begint hij als extern student in Logroño zijn studie theologie. Zijn wens om zijn leven op de een of andere manier edelmoedig voor God in te zetten, neemt steeds toe. Maar hij weet nog niet waar dit verlangen, deze roep, hem naartoe zal leiden. In 1919 wordt zijn broertje Santiago, waarvoor Josemaría veel gebeden heeft, geboren. Deze kleine jongen zou, als Josemaría priester wordt, de opengevallen plaats in de familie moeten innemen.

Nadat hij zijn studie humanistische cultuur en filosofie afgesloten heeft, gaat hij van 1920 tot 1927 aan de pauselijke universiteit van Zaragoza studeren, om zijn theologiestudie af te maken. De weg naar het priesterschap en zeker naar diocesane priesterschap was niet vanzelfsprekend. Lang had Josemaría zich afgevraagd of hij niet bij de karmelieten thuishoorde. Enige tijd wilde hij ook architect worden. Hij had bewondering voor het priesterschap. “Thuis had ik geleerd voor het priesterschap ontzag en eerbied te hebben. Het was echter niet iets voor mij, het priesterschap was voor anderen.” 2 Daarom was zijn vader ook zeer verrast. “Op een goede dag vertelde ik mijn vader dat ik priester wilde worden. Het was de enige keer dat ik hem heb zien huilen. Hoewel hij andere plannen met mij had, verzette hij zich niet. Hij zei alleen: Jongen, denk daar goed over na. Priesters moeten heilig zijn. Het is hard geen thuis en geen aardse liefde te hebben. Denk er nog eens over na. Ik zal je echter niet tegenhouden.”  3

Josemaría was een goed theologiestudent. Hij groeide ook in zijn innerlijk leven. Dagelijks bezocht hij het Mariabeeld van Onze Lieve Vrouw van Pilar. Vele nachten bracht hij door op een balkon in de kapel van het seminarie, waar hij uitzicht had op het Allerheiligste. Hij vastte, sliep op de grond en deed andere werken van boetvaardigheid, om zichzelf zo helemaal, met lichaam en ziel, aan God te geven.

Enkele maanden voor zijn priesterwijding, op 17 november 1924, stierf de vader van Josemaría plotseling. De voorbeeldige inzet van zijn vader voor de familie heeft veel indruk op Josemaría gemaakt en hem ook gevormd. De ouders lieten de jongen in grote vrijheid opgroeien. Later zou Josemaría eens zeggen dat hij zijn roeping aan zijn vader te danken had en dat hij nog altijd, elke ochtend en avond, de gebeden die hij van zijn moeder had geleerd opzei. Over moeders is Josemaría altijd zeer lovend. Hij beschrijft ze als heldhaftig, ook al treden ze vaak niet op spectaculaire wijze op de voorgrond. “Zij staan niet in de schijnwerpers, zoals men zegt. Zij offeren zich echter telkens weer op, ze zijn blij als zij hun wensen, hun voorkeuren opzij zetten en hun tijd mogen wegschenken om hun kinderen blij te zien.” 4

III. Priesterwijding en visioen van het Opus Dei

Op 28 maart 1925 werd Josemaría priester gewijd. Twee dagen later droeg hij in de Mariakapel van de kathedraal van Zaragoza zijn eerste plechtige Mis op. In het kleine dorp Perdiguera op het platteland, nam Josemaría het werk van de zieke pastoor over. Hij leerde daar het harde en moeilijke leven kennen van eenvoudige mensen, maar ook dat van de pastoor. Zoals in Spanje gewoonlijk was, haalde hij zijn familie – zijn moeder, zus en broertje – naar Zaragoza. Ze zouden Josemaría weinig zien, want in 1923 begon hij met een studie rechten aan de universiteit van Zaragoza. In januari 1927 sluit hij deze studie af. Kort daarop gaat hij naar Madrid, om daar zijn studie met een promotie in het burgerlijk recht af te sluiten. Dit lukt pas in 1939. Hij was de rechtenstudie in 1923 met instemming van zijn vader begonnen. Zijn vader zag daarin een extra zekerheid. In Zaragoza werkt hij in de ziekenzorg. Tegelijkertijd geeft hij les in Romeins en kerkelijk recht. Bovendien verzorgt hij privé-lessen om zijn familie financieel te helpen. En met enkele medestudenten bekommert hij zich, eerst in Zaragoza en later in Madrid, om sociaal zwakkere en zieke mensen. Aan wezen en straatkinderen gaf Josemaría catechese en hij bereidde ze voor op de eerste communie. Ook is hij zielzorger voor de docenten en studenten van de hogeschool waar hij les gaf. Josemaría was een geleerde en elegante jongeman, ondanks de gaten zijn schoenzolen. Zijn studenten konden zich maar nauwelijks voorstellen dat hij zich met het ‘proletariaat’ bezighield. Ze hebben hem stiekem gevolgd en zagen dat hij inderdaad naar de sloppenwijken van de stad trok.

Josemaría wachtte nog altijd op een duidelijker teken van de Heer over zijn roeping. Dit teken kwam snel. Op 2 oktober 1928, op het feest van de heilige Engelbewaarders, nam Josemaría tijdens zijn bezinningsdagen zijn geestelijke aantekeningen van de afgelopen tien jaar nog eens door. Opeens ‘zag’ hij, zoals hij het later zou zeggen, datgene voor zich, wat later het ‘Opus Dei’ zou gaan heten. Ook nadien blijft hij terughoudend over dit moment. Maar een ding is duidelijk: op dit moment mocht de toen 26-jarige priester de geboorte van het door hem opgerichte werk ervaren.

De kern van de boodschap was direct duidelijk: mensen uit alle beroepen en sociale posities zullen in hun dagelijkse bezigheden naar de volheid van het christelijke leven moeten streven. Hij zou deze leken bewust maken van deze goddelijke roeping en hen de weg wijzen naar heiligheid in de vervulling van het beroepswerk en de dagelijkse plichten van de christen. Hier ligt de kern van de boodschap, die Josemaría in 1966 in een interview met The New York Times zo formuleert: “De geest van het Opus Dei neemt de prachtige, eeuwenlang door vele christenen vergeten werkelijkheid weer op, dat alle arbeid die op het menselijk vlak waardig en eerlijk is, een goddelijk werk kan worden. Als men God wil dienen bestaan er geen onbelangrijke of tweederangs werkzaamheden; allemaal zijn ze van het grootste belang. Om God te beminnen en te dienen is het niet nodig bijzondere dingen te doen. Tot alle mensen, zonder uitzondering, richt Christus zijn oproep om volmaakt te zijn, zoals Zijn hemelse Vader volmaakt is (vgl. Mat 5,48). Heilig worden betekent voor veruit de meeste mensen hun eigen werk te heiligen, zichzelf en de anderen door het werk te heiligen, en daardoor elke dag God op hun levensweg te ontmoeten. De huidige maatschappelijke ontwikkeling brengt een steeds groeiende waardering voor de arbeid met zich mee en maakt het aldus de mensen van onze tijd blijkbaar gemakkelijk om dat aspect van de christelijke boodschap te begrijpen, waarop de spiritualiteit van het Opus Dei zo de nadruk legt. Van beslissende betekenis echter is de invloed van de Heilige Geest. Die heeft met Zijn levenwekkende werkzaamheid onze tijd getuige willen maken van een diepe vernieuwing voor het hele christendom. Als men de decreten van het Tweede Vaticaans Concilie leest, dan lijkt de nieuwe waardering voor de gewone arbeid en voor de waardigheid van de roeping tot een christelijk werkzaam leven midden in de wereld een belangrijk deel van deze vernieuwing te zijn.” 5

IV. De realisatie van het visioen

Blijkbaar kon de nog zeer jonge priester andere mensen zijn visioen heel duidelijk beschrijven. Het visioen was ook niet aan een concrete historische situatie gebonden. Het ging erom de ontvangen boodschap op elke plaats, in elke tijd uit te voeren. Josemaría was ervan overtuigd dat er twee middelen waren om dit te bereiken: het kruis en het evangelie. De opbouw van datgene wat Josemaría in zijn visioen had gezien volgt snel. Al in 1930 wordt hem duidelijk dat ook vrouwen tot het Opus Dei geroepen zijn. Het was belangrijk de rol en plaats van de vrouw beter na te gaan. De eerste roepingen kwamen. Het eerste apostolische werk, de Academia DYA, wordt in Madrid geopend. De eerste belangrijke boeken verschijnen in 1934: Geestelijke overwegingen en De heilige Rozenkrans, waarvan het eerste de voorloper van Camino (De Weg) is. De heilige Rozenkrans verschijnt in meer dan 100 drukken in 20 talen.

Tijdens de Spaanse burgeroorlog, die op 18 juli 1936 uitbreekt, blijft Josemaría met gevaar voor eigen leven in Madrid. In september 1937 kan hij dankzij de consul van Honduras aan documenten komen, waarmee hij Spanje kan verlaten. In een gevaarlijke voettocht steekt hij de Pyreneeën over en komt op 2 december 1937 via Andorra in Frankrijk aan. Tijdens de burgeroorlog, die op 28 maart 1939 eindigt, woont hij korte tijd in Burgos. Daar neemt hij zijn apostolische werk weer op zich. Na de oorlog gaat hij weer naar Madrid terug. De goedkeuring van het Opus Dei als ‘vrome vereniging’ (pia unio) op 19 maart 1941 is een belangrijk moment. Kort daarop richt Josemaría het ‘Priestergenootschap van het Heilige Kruis’ op. Dit genootschap is nauw met het Opus Dei verbonden. Op 22 april sterft zijn moeder geheel onverwacht. Op 11 oktober 1943 krijgt het Opus Dei de eerste goedkeuring van de Heilige Stoel. In 1944 worden de eerste uit het Opus Dei voortgekomen priesters gewijd. Onder hen was ook de latere opvolger van Josemaría, don Álvaro del Portillo, die lange tijd met hem zou samenwerken. De drie nieuwe priesters waren allen ingenieur. Wanneer in 1947 het seculier instituut officieel kerkelijk wordt gesticht 6, neemt ook het Opus Dei deze nieuwe rechtsvorm van geestelijk leven aan. De stichter is niet gelukkig met deze vorm, maar het is wat in de gegeven omstandigheden het meest aan zijn visioen beantwoordt.

Spoedig volgt de verdere uitbreiding van het Werk. Sinds 1946 woont Josemaría als hoofd van het Opus Dei in Rome. De stichter wordt meermaals door paus Pius XII op privé-audiëntie ontvangen. In 1948 wordt het Collegium Romanum Sanctae Crucis als studiecentrum geopend. Duizenden mensen uit alle delen van de wereld komen hier voor hun geestelijke vorming. Het is vooral voor priesters bedoeld. In 1950 verleent paus Pius XII het Opus Dei de uiteindelijke goedkeuring. In 1952 start de ontwikkeling van de Universiteit van Navarra in Pamplona. Deze universiteit zal altijd de speciale sympathie van de stichter genieten. In 1953 wordt in Rome ook voor vrouwen een opleidingscentrum geopend.7 Vanaf die tijd kunnen ook niet-katholieken en niet-christenen medewerkers van het Opus Dei worden. Had Josemaría in 1939 zijn promotie in de rechten gedaan, in 1955 promoveert hij in de theologie aan de Pauselijke Universiteit van Lateranen. In 1960 ontvangt de nieuwe paus, Johannes XXIII, Josemaría op audiëntie. Tijdens het Tweede Vaticaans Concilie is vooral don Álvaro del Portillo als adviseur actief.8 In deze tijd begeeft Josemaría zich als pelgrim op weg naar vele heiligdommen in Europa. Ook bezoekt hij Guadalupe in Mexico.

In 1975 viert Josemaría zijn gouden priesterjubileum. Eind mei onderneemt hij zijn laatste reis naar Spanje. Enkele dagen na zijn terugkeer in Rome, op 26 juni, valt hij in zijn werkkamer op de grond en overlijdt. Wat men nog probeert is tevergeefs. De strijd om zijn leven duurde anderhalf uur, maar toch sterft hij. Zijn stoffelijk overschot rust in de prelaatskerk van Maria van de Vrede, in de centrale zetel van de prelatuur in Rome.

V. Zalig- en heiligverklaring en personele prelatuur

Kort na zijn dood ontstaat er een ware toeloop naar zijn graf. Onder de pelgrims uit alle delen van de wereld bevinden zich opvallend veel jongeren. Reeds op 12 mei 1981 wordt het zaligverklaringsproces geopend, waarvan de diocesane fase in 1986 wordt afgesloten. Op 17 mei 1992 wordt Josemaría feestelijk zalig verklaard.

In 1982 maakt paus Johannes Paulus II zijn besluit bekend, het Opus Dei als personele prelatuur op te richten. Met de apostolische constitutie Ut sit van 28 november is de zoektocht naar een passende juridische vorm voor de kerkelijke organisatiestructuur beëindigd. Het is de rechtsvorm die Josemaría altijd gezocht en gewenst had. De personele prelatuur is mogelijk gemaakt door het Decreet over het ambt en het leven van de priesters van het Tweede Vaticaans Concilie (Presbyterorum ordinis, 10). Zij biedt seculiere priesters de mogelijkheid van incardinatie, teneinde hen mobiel en flexibel te kunnen inzetten. De uiteindelijke regeling volgt enerzijds in de motu propio Ecclesiae Sanctae, en anderzijds in het kader van het nieuwe kerkrecht (vgl. cc. 294-297 CIC). Daarmee konden in 1983 ook de statuten van de Prelatuur van het Heilige Kruis en Opus Dei worden uitgevaardigd.9

De personele prelatuur bestaat uit wereldgeestelijken en is afgebakend door haar doel. Het personele bisdom is een diocees waartoe een deel van het Godsvolk behoort dat naast een territorium, ook door een personeel criterium is omschreven (vgl. can. 372 § 2 CIC). De personele prelatuur is een doelgebonden, voor wereldgeestelijken bedoeld incardinatieverband, dat alleen binnen de Latijnse Kerk bestaat. Tot de personele prelatuur behoren niet alleen de geïncardineerde priesters, maar ook de leken die zich bij de prelatuur hebben aangesloten. Allen zijn met elkaar verenigd door dezelfde roeping: één geest, één doel en één opdracht. Het Opus Dei is tot nu toe de enige instelling met deze rechtsvorm. Haar structuur wijkt af van de in de CIC beschreven gestalte. De discussie over deze rechtsvorm, die zich zowel van een orde als een seculier instituut onderscheidt, is gaande.

De zaligverklaring had een grote weerklank. De roep om een heiligverklaring klonk steeds luider. Paus Johannes Paulus II verklaarde Josemaría Escrivá, kort na de viering van diens honderdste geboortedag, op 6 oktober 2002 heilig onder grote belangstelling.10

Veel publicaties van de stichter verschenen postuum en haalden grote oplagen in verschillende talen. De belangrijkste boeken zijn: De Weg (Utrecht/Brussel 1989), De Voor (Utrecht 1991), De Smidse (Amsterdam 1999), Als Christus nu langskomt (Venlo 1978), Vrienden van God (Utrecht 1994), De Kruisweg (Utrecht/Brussel 1983) en De heilige Rozenkrans (Amsterdam 2003). Rond de heiligverklaring verscheen ook het eerste deel van de tot nu toe uitgebreidste biografie. De drie banden zijn geschreven door Andrés Vázquez de Prada.11

VI. Nieuwe lekenspiritualiteit

Door deze biografische schets is de spirituele gestalte van Josemaría Escrivá duidelijker zichtbaar geworden. Na een lange tijd van wachten is, zo hebben we gezien, bij het beslissende visioen op 2 oktober 1928 zijn voorgevoel met grote duidelijkheid naar voren gekomen. De kern ligt in de uitspraak, “dat alle arbeid die op het menselijk vlak waardig en eerlijk is, een goddelijk werk kan worden. Als men God wil dienen, bestaan er geen onbelangrijke of tweederangs werkzaamheden; allemaal zijn ze van het grootste belang. Om God te beminnen en te dienen is het niet nodig bijzondere dingen te doen”. Er bestaan vele interpretaties, om het daarmee bedoelde verder uit te leggen.12

Misschien is de uitdrukking ‘nieuwe wereldverantwoording’, die we in de titel voor deze conferentie gebruiken, nog te gekunsteld en brengt het onvoldoende het elementaire van deze spiritualiteit tot uitdrukking. Escrivá gaat ervan uit dat de christen zich een onbevangen, maar zeker geen naïeve houding tot de wereld en tot zijn werk moet eigen maken.

Hier onderscheidt hij zich het sterkst van de klassieke orden. Hij bestrijdt vastbesloten dat alleen mensen die op een of andere wijze van deze wereld afstand nemen, door bijvoorbeeld kloostermuren, geloften, ordenkleding en ordenregels, een volledig op God gericht leven kunnen leiden. Hij vond het niet juist, dat het echte christelijke leven feitelijk werd gelijkgesteld met de afzondering van de wereld, dat voor vele ordengemeenschappen een ideaal was. Ook de seculiere priesters hebben volgens Escrivá hun eigen geestelijke leven voor een groot deel in deze richting gezocht, zij het in een mildere vorm. Omdat de lekengelovigen vaak met nog sterkere verleidingen en verstrooiingen te maken hebben, is hen geen op het evangelie gericht leven toevertrouwd. Vaak werden zij gezien als tweederangs christenen, voor wie een onvoorwaardelijke navolging van Jezus Christus niet haalbaar was. Volgens Escrivá hebben de leken zelf zich te lang geconformeerd met deze negatieve voorstelling.

Uitzonderingen daargelaten, had deze traditie volgens Escrivá invloed op heel de katholieke Kerk. Het schijnt dat deze traditie in het Spanje van de jaren 20 en 30 krasse vormen had aangenomen. Het is dus zeker enigszins revolutionair te noemen dat Escrivá zich met zulke argumenten niet tevreden stelde met een uitgedunde ordenspiritualiteit voor leken. Hij vertrouwt erop dat de genade van God werkzaam is in het handelen van vele lekenchristenen. Aldus heeft Escrivá duidelijk de roeping van iedere christen op de voorgrond geplaatst. Een interview met Time op 15 april 1967 is hierover veelzeggend: “Je kunt het Opus Dei, om het goed te begrijpen, het beste vergelijken met het leven van de eerste christenen. Ze leefden met een totale overgave volgens hun christelijke roeping. Ze zochten ernstig naar de volmaaktheid waartoe ze geroepen waren door het eenvoudige en verheven feit dat ze gedoopt waren. Uiterlijk onderscheidden ze zich in niets van de andere mensen. De leden van Opus Dei zijn normale mensen die normaal werk doen en in de wereld leven als gewone, christelijke burgers, die helemaal willen voldoen aan de eisen die het geloof aan hen stelt.” 13 Is het niet begrijpelijk dat dit programma, ook als het soms misschien verkeerd begrepen werd, veel mensen aantrok en nog steeds aantrekt?

De onbevangenheid van deze woorden kan makkelijk tot misverstand leiden. Het gaat absoluut niet om een naïeve kijk op de wereld. Het was voor de stichter volkomen duidelijk dat hoe meer men in de wereld leeft, hoe dieper men de wortels van zijn of haar bestaan in God moet ervaren. De lekengelovige is niet geroepen om zich van de wereld af te keren, maar om haar vorm te geven naar de bedoeling van de Schepper. Steeds komen wij de volgende formulering tegen: zich door zijn beroep heiligen, zijn beroep heiligen, en anderen door zijn beroep heiligen. In 1967 formuleerde Escrivá deze basisovertuiging in een preek met de volgende woorden: “Voor jullie, mannen en vrouwen van de wereld, staat elke vlucht uit de eerlijke werkelijkheid van het leven van alledag haaks op de wil van God… God roept jullie om Hem juist in en vanuit de burgerlijke, materiële, wereldlijke taken van het menselijke leven te dienen: in het laboratorium, in de operatiekamer, in de kazerne of op de leerstoel van een universiteit, in de fabriek, in de werkplaats, op het land, in de huishouding, in heel dit immense panorama van het dagelijks werk wacht God elke dag weer op ons… Onze tijd heeft het nodig dat aan de materie en aan heel gewoon lijkende situaties hun edele en oorspronkelijke zin teruggegeven wordt, dat ze in dienst van Gods rijk gesteld worden en dat ze vergeestelijkt worden door er een middel en een gelegenheid van te maken om Christus voortdurend te ontmoeten.” 14

Daarom zocht Escrivá ook steeds naar mensen, die een intensief leven midden in de wereld leidden en grote opgaven te vervullen hadden. De bereidheid tot inzet en de discipline van deze mensen waren voor Escrivá gunstige voorwaarden, om zich in gelijke mate voor het geestelijke in te zetten. Dit zou de alledaagse taken niet verdringen, maar, zoals hij zelf zei, veredelen. Hij was ervan overtuigd, dat mensen die de verplichtingen van het beroepsleven uit de weg gaan en een geringe bereidheid hebben veranderingen in hun leven aan te brengen, niet voor het Opus Dei geschikt zijn. Zo’n uitspraak kan met het oog op armen, zwakken en onderdrukten, tweeslachtig lijken. Maar de richting die hij uit wilde gaan is duidelijk. Escrivá was niet zozeer op zoek naar machtige en invloedrijke mensen om deze voor zich winnen. Hij was op zoek naar mensen met een grote bereidheid tot inzet en verandering. Het hele leven van de mens moet geworteld zijn in de contemplatie. Escrivá herhaalde telkens dat het wapen van het Opus Dei niet het werk, maar het gebed was.

Juist daarmee heeft hij soms mensen in de wereld paf doen staan. Prof. Victor García Hoz, psycholoog en later lid van het Opus Dei, vertelt ons: “In 1942 zei don Josemaría mij een keer: ‘God roept jou tot de weg van de contemplatie.’ Ik was volledig verbluft. Ik was tenslotte een getrouwde man met toen drie kinderen waar er – wat ook gebeurde – nog meer bij zouden kunnen komen. Bovendien moest ik hard werken om mijn gezin te onderhouden. Dat iemand een man als ik contemplatie, geestelijke beschouwing, als bereikbaar voorhield, was toen vrijwel ongehoord.” 15 De wereld zelf wordt aldus voor de leken een plaats van ontmoeting met God. Op elk moment en op elke plaats staan de wegen van beschouwing voor ieder die werkt open. “Al het wezenlijke van de christelijke roeping blijft onveranderd. Nieuw is de manier waarop de roeping in praktijk wordt gebracht. Nadat vijftienhonderd jaar het ideaal van de kloosterorde overheerste, pakt het Opus Dei weer de manier op, waarop de christenen van de eerste eeuwen hun geloof beleefden. Een in menig opzicht gewaagde onderneming. Geen wonder, dat het bij alle instemming ook op misverstanden en scepsis, ja op afwijzing stuitte en stuit.” 16 Zeker hier mag men niet vergeten dat van de meer dan 80.000 leden in bijna 100 landen slechts 2 procent priester is.

VII. Terugkeer naar de eerste christenen

Ik zal dit alles niet verder uitdiepen. Wanneer men Escrivá echter wil begrijpen, moet men telkens weer op deze basisgedachte teruggrijpen. Alleen met die gedachte in het achterhoofd is te begrijpen dat Escrivá in een relatief korte tijd zoveel mensen aansprak, die midden in het seculiere leven stonden en toch christenen wilden zijn. Vele mensen hebben zo’n weg midden in de wereld gezocht, maar niet kunnen vinden in traditionele, bestaande wegen.

Toch is deze weg eigenlijk niets nieuws. Met recht heeft de stichter telkens weer herhaald, dat de geest van het Opus Dei “zo oud als het evangelie – en tegelijkertijd als het evangelie zo nieuw” was.17 Hij verwijst naar het vroege christendom. Maar er zijn natuurlijk ook accentueringen en voorlopers, die zulke gedachten al thematiseerden. Men zal hier, zoals bij alle levensprocessen, niet altijd alles met citaten kunnen bewijzen. Escrivá heeft zich zeker bepaalde uitspraken van ordenpiritualiteiten eigen gemaakt. Denk aan het benedictijnse ora et labora (bid en werk). Net zo goed kunnen we de heilige Ignatius van Loyola en de Jezuïetenorde aanhalen met het “zoek God in alle dingen”. En ook de spiritualiteit van de heilige Theresia van Lisieux, die ervan uitgaat dat het alledaagse leven tot een bijzondere vorm van heiligheid kan worden. Men mag zeker niet vergeten dat de ‘heiliging’ een centrale plaats inneemt in zowel het Oude als het Nieuwe Testament, en voorts ook in de hervormde traditie.18

Bij deze vergelijkingen denk ik aan uitspraken als: “Ik verzeker jullie dat, als een christen de onbenulligste kleinigheid van elke dag met liefde doet, die kleinigheid met de grootheid van God vervuld wordt. Dat is de reden waarom ik er steeds maar weer op hamer, dat de christelijke roeping erin bestaat van het proza van elke dag heldendichten te maken. Hemel en aarde lijken aan de horizon een te worden. Maar in werkelijkheid gebeurt dat in jullie harten, wanneer jullie je dagelijks leven op heilige wijze leiden.” 19 Als men in de kleine dingen van het dagelijkse leven liefde legt, zal men ook daarin de sporen van God ontdekken. Al het andere is voor Escrivá “holle mystiek”, die enkel en alleen uit droombeelden en vals idealisme bestaat. Escrivá heeft er geen moeite mee, de materiële werkelijkheid te beschouwen als een voedingsbodem voor christelijke deugd. Herhaaldelijk spreekt hij van een “materialisering” van het christelijke leven of ook wel van een “christelijk materialisme”. Tegenwoordig hebben we met zulke uitspraken misschien wat moeite. Maar iedereen die het begrijpen wil, kan deze uitspraak uitleggen en verklaren. Dat is wat wij nu aan het doen zijn.

Ik denk hierbij ook aan de waardering van de aardse dingen en van hun autonomie door Thomas van Aquino. Hij benadrukt de waarde van de schepping en de goedheid van de uit Gods handen voortgekomen wereld. Wij kunnen ook denken aan mensen als Thomas More, die hun op het geweten gebaseerde overtuiging met hun leven moesten bekopen. Het is echter de verdienste van Escrivá dat hij de aanzetten van de traditie aangrijpt om daaruit niet alleen een “spiritualiteit voor leken” maar veeleer een “lekenspiritualiteit” te halen. In dit opzicht is Escrivá zonder twijfel een voorloper van het Tweede Vaticaans Concilie. Veel uitspraken van het concilie over de roeping tot heiligheid in de Kerk en in de wereld hebben hier hun wortels.

In dit basisidee ligt al het andere opgesloten. Daarom is het ook niet nodig op deze plaats de consequenties daarvan uiteen te zetten. Dit geldt bijvoorbeeld voor de zoektocht naar een passende juridische vorm waarin de ideeën van het Opus Dei adequaat in praktijk kunnen worden gebracht. “Voor een levensweg die de heiliging van de lekengelovigen in en door het alledaagse leven tot doel had, voor de specifieke roeping tot iets niet specifieks, bestond binnen de Kerk nog geen juridisch model. Pas het reële, door mensen in heel de wereld beleefde Opus Dei slaagde er langzaam maar zeker in toe te groeien naar een kerkelijke realiteit met een adequate juridische vorm, die overeenstemt met het organische levensprincipe van de Kerk” 20 Dit inzicht bepaalt ook andere karakteristieken van het Opus Dei. Zo bestaat er met betrekking tot de tijdelijke, seculiere problemen een grote innerlijke vrijheid, zoals die bij de uitoefening van het beroep ook nodig is. Tegelijk wordt in grote eendracht het transcendente, bovennatuurlijke doel nagestreefd.

VIII. Conclusie

Ik keer terug naar het begin. Het ging mij erom de spirituele gestalte van deze nieuwe heilige uiteen te zetten. Wanneer de Kerk een nieuwe heilige krijgt, moeten wij ook nagaan wat Gods Geest via zo’n getuige tegen de Kerk van zijn tijd wil zeggen. Misschien hebben we dat tot nu toe nog te weinig geprobeerd. Dat geldt niet alleen voor Josemaría Escrivá, maar ook voor Moeder Teresa, Edith Stein, Adolf Kolping, Maximiliaan Kolbe, Titus Brandsma en vele anderen. Het zou een onvergefelijk verzuim zijn als we niet op zijn minst zouden proberen de specifieke boodschap voor ons te ontdekken.

Daarom heb ik het gewaagd alle gevoerde discussies over het Opus Dei terzijde te laten. Ik ontken niet dat er in het verleden hier en daar bij de inburgering van het Werk in onze maatschappij problemen en misvattingen zijn ontstaan, die meerdere oorzaken hebben. Maar de spirituele uitdaging die in het Opus Dei te vinden is, mag niet zomaar op grond van deze verdachtmakingen worden afgekeurd. Helaas zijn er nogal wat publicaties die helemaal niet ingaan op het grote charisma van Josemaría Escrivá.21

Juist daarom lijkt het mij nu op zijn plaats het profiel van de nieuwe heilige eerlijk en zorgvuldig te bekijken. Als het Opus Dei in de verwezenlijking van het Werk iets verkeerds heeft of zou hebben gedaan, dan moeten wij dat allereerst toetsen aan de bijbel en in het bijzonder ook aan de stichter en zijn visie. Al het andere zou niet serieus zijn. Daarom maakt men zich er veel te gemakkelijk vanaf, wanneer men het Opus Dei zomaar als sekte of zelfs als een soort maffia bestempelt.

De Kerk kan het zich tegenwoordig niet veroorloven charisma’s die in haar schoot zijn ontstaan en opgebloeid te veronachtzamen. Ze kan het zich ook niet veroorloven dergelijke bewegingen tegen elkaar uit te spelen. Staande voor de grote uitdaging van het christelijk geloof, ben ik ervan overtuigd dat we vandaag de dag al onze krachten moeten bundelen. Met alle verschillende geloofsuitingen kunnen wij dan toch vanuit het centrum van het geloof een getuigenis voor de wereld afleggen. Dat is ook belangrijk voor de richting waarin Josemaría Escrivá met zijn “lekenspiritualiteit” naar toe wilde. De Kerk moet de leken in staat stellen, temidden van hun bezigheden in de wereld, authentieke getuigen van het evangelie te zijn. De arm van de institutionele Kerk kan niet alles bereiken. De Kerk heeft de zelfstandigheid nodig van alle christenen die in de eigen situatie de weg voor het evangelie banen op alle velden van ons leven. Aldus krijgt het evangelie ruimte voor ontplooiing. Daarvan zal in belangrijke mate de toekomst van de Kerk afhangen.

Ik wil mogelijk bestaande problemen niet verdringen of toedekken. Maar die kunnen alleen worden opgelost wanneer we ons verdiepen in de boodschap achter leven en de werken van Josemaría Escrivá. Zo zou ik met een belangrijke uitspraak van deze nieuwe heilige af willen sluiten: “Het is duidelijk dat jullie op dit en op ieder ander terrein dit programma van heiligheid in het gewone leven niet kunnen verwezenlijken, als je niet die volledige vrijheid geniet, die aan de mens - ook volgens de leer van de Kerk - op grond van zijn waardigheid als evenbeeld van God toekomt. De persoonlijke vrijheid - en als ik over vrijheid praat bedoel ik natuurlijk altijd de verantwoordelijke vrijheid - is van essentiële betekenis voor het christelijke leven. Jullie moeten mijn woorden dus zo opvatten als ze bedoeld zijn: als een uitnodiging om elke dag weer, en niet alleen in speciale noodsituaties, jullie rechten uit te oefenen; om eerlijk jullie plichten als staatsburgers in de politiek, de economie, het universitaire leven en het beroep te vervullen, en om moedig de gevolgen van jullie persoonlijke beslissingen en ook de last van de jullie toekomende persoonlijke onafhankelijkheid op je te nemen. Deze christelijke lekenmentaliteit zal jullie in staat stellen om iedere vorm van intolerantie en fanatisme te vermijden. Of, positief uitgedrukt, die mentaliteit zal jullie helpen om in vrede te leven met al jullie medeburgers en om het vreedzame samenleven in de onderscheiden sectoren van de maatschappij te bevorderen.” 22

Het komt er in de eerste plaats op aan, de heilige Josemaría Escrivá zelf aan het woord te laten. Ik hoop dat mijn uiteenzetting ertoe zal bijdragen deze vaak verkeerd begrepen persoon opnieuw te bekijken teneinde hem beter te kunnen begrijpen. De heiligverklaring van 6 oktober 2002 kan daarbij een belangrijke, zelfs beslissende hulp zijn.

Karl kardinaal Lehmann,

16 november 2002

________________________________

Noten

Voor zover het aangehaalde bronmateriaal naar het Nederlands is vertaald, is gerefereerd naar de Nederlandse bronnen.

(1) Zie bijvoorbeeld het boek van P. Hertel, Schleichende Übernahme. Josemaría Escrivá, Sein Opus Dei und die Macht im Vatikan, Oberursel 2002 (Publik forum); Ich verspreche euch den Himmel, Düsseldorf  ²1980; K. Steigleder, Das Opus Dei, Zürich (4. Auflage) 1991; Paulus-Akademie (red.), Opus Dei – Stoβtrupp Gottes oder „Heilige Maffia”?, Zürich 1992.

 

(2) Dennis M. Helming, Voetsporen in de sneeuw. Het leven in beeld van Josemaría Escrivá, stichter van het Opus Dei, De Boog 1992, 13.

 

(3) Ibid, 13 ev.

(4) Ibid, 15.

(5) Gesprekken met mgr. Escrivá, Utrecht 1990, nr. 55. In dit boek zijn interviews uit de jaren 1966-1968 opgenomen. Het boek geeft een uitstekend beeld van het leven en werk van Josemaría Escrivá.

 

(6) Vgl. G. Pollak, Der Aufbruch der Säkularinstitute und ihr theologischer Ort, Vallendar 1986.

 

(7) Vgl. Gesprekken met mgr. Escrivá, nr. 90-117.

 

(8) Zie over de relatie van het Opus Dei tot het Concilie: P. Berglar, Opus Dei, Salzburg 1983, 267-278.

 

(9) Meer daarover is te vinden in A. de Fuenmayor u.a., Die Prälatur Opus Dei. Zur Rechtsgeschichte eines Charismas. Darstellung, Dokumente, Statuten = Münsterischer Kommentar zum CIC, Beiheft 11, Essen 1994 (vertaling uit het Spaans, waarin het boek in 1989 verschenen is). In dit boek zijn ook alle belangrijke documenten opgenomen: 513-679. De statuten zijn ook afzonderlijk uitgegeven: Rome 1982.

 

(10) Over de zaligverklaring zie het fotoalbum: Geh ein in die Freude deines Herrn. Seligsprechung von Josefmaria Escrivá, Gründer des Opus Dei, Köln 1992.

 

(11) Der Gründer des Opus Dei. Josemaría Escrivá. Eine Biographie. Band 1: Die frühen Jahre (Köln 2002). Dit deel eindigt met het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog in 1936. Deel 2 omvat de jaren 1936 tot 1945 en deel 3 de periode van 1945 tot 1975. Naar aanleiding van zijn honderdste geboortedag en de heiligverklaring verscheen in Duitsland een belangrijke artikelenbundel: Josemaría Escrivá. Profile einer Gründergestalt. Dit boek is uitgegeven onder redactie van de voormalige prelaat van de Duitse regio, César Ortiz, Keulen 2002.

 

(12) Vgl. P. Berglar, Opus Dei, 278 ev., V. Messori, Opus Dei. Een onderzoek, Oegstgeest/Utrecht 1997 (Italiaanse uitgave: Milaan 1994), C. Ortiz (red.), Josemaría Escrivá, 123, 225 ev., 253 ev., 311 ev., 347 ev.; D. Le Tourneau, Het Opus Dei, Brugge 1989, 41 ev.; P. Rodriguez e.a., Das Opus Dei in der Kirche, Paderborn 1997, 107 ev., 159.

 

(13) Gesprekken met mgr. Escrivá, nr. 24. Vgl. ook nrs. 23 ev., 50 ev., 60 ev.).

 

(14) Geciteerd naar Dennis M. Helming, Voetsporen in de sneeuw, 22.

 

(15) Ibid, 21.

 

(16) Ibid, 22.

 

(17) Ibid.

 

(18) Vgl. bijvoorbeeld: J. Zmijewski, Heiligung, in: Lexikon für Teologie und Kirche, 3. Auflage, Band 4, Freiburg, i.Br. 1995, 1331-1332.

 

(19) Gesprekken met mgr. Escrivá, nr.116. We kunnen ook speciaal wijzen op de bijna klassieke tekst “De wereld hartstochtelijk liefhebben”, (ibid, nr. 113-123, een toespraak aan de Universiteit van Navarra op 8 oktober 1967).

 

(20) P. Berglar, Opus Dei, 11.

 

(21) Vgl. R. Hutchison, Die heilige Mafia des Papstes, München 1996; M. del Carmen Tapia, Hinter der Schwelle. Ein Leben im Opus Dei. Der schockierende Bericht einer Frau, Zürich 1993; J. Ropero, Im Bann des Opus Dei. Familien in der Zerreißprobe, Solothurn 1995; voor uiteenzettingen vgl. ook Opus Dei. Ziele, Anspruch und Einfluss, heruitgave van H. Schützeichel, Düsseldorf 1992. Vgl. ook de bijdragen van H. St. Puhl: „Katholischer” Fundamentalismus. Häretische Gruppen in der Kirche, opnieuw uitgegeven door W. Beinert, Regensburg 1991. Zie voorts hierboven noot 1.

 

(22) Gesprekken met mgr. Escrivá, nr. 117.